Heel vroeg op want de avondklok kan nog wel eens roet in het eten gooien voor mijn plan van vandaag. Aangezien we in een zeer afgelegen gebied verblijven neem ik me voor een half uur van deze avondklok af te snoepen. Lijkt me beter om dat in de ochtend te doen dan in avond, dus ik zet mijn wekker om half vier.
Op een of andere manier word ik om drie uur wakker om naar de WC te gaan en besluit dan om meteen maar op te staan. Om 3:47 zit ik op de fiets. Rondom Denekamp, waar ik begin, rijd ik door stukken bos die pikkedonker zijn. Ik kom een paar reeën tegen, maar zie verder weinig van de omgeving. Dat is eigenlijk wel heel jammer want ik kom vooral in het eerste stuk door allemaal natuurgebieden. Maar ik vind het wel erg mooi om zo alleen in het donker te rijden.


Cool, letterlijk en figuurlijk. Waar het later een stralende zonnige dag wordt, is het in het begin ijskoud. Het vriest, en ben blij met de vele laagjes die ik aan heb. Helaas bevriezen mijn handen alsnog en moet ik elke keer als ik wat wil eten afstappen om mijn handschoenen uit te doen om in mijn zakjes naar een kaasuien- of krentenbol te graven.
Na een kilometer of dertig kom ik bij het Springendal. Hier rijd ik de Hooidijk klim op, maar doordat het zo donker is heb ik dit niet meteen door. Twee á drie procent stijging zie je nu eenmaal niet goed, en het kwartje dat niet héél Nederland vlak is viel pas laat. Ik was eerst bang voor slechte benen toen de teller niet meer boven de 22 km/h uitkwam.
In de buurt van Hardenberg komt de zon op. Het is jammer dat het landschap hier niet meer bestaat uit natuurgebieden, maar vooral landbouwgrond. Iets minder idyllisch, maar de zonsopgang is toch mooi. Vooral ook prettig, want de -7 die mijn wahoo eerder aangaf gaat nu langzaam richting de plus.
Bij Holtheme, waar de Overijsselse Vecht Nederland binnenkomt, stop ik even. Ik vind deze rivier één van de mooiere in ons land en omdat de zon hier door begint te breken maak ik even van de gelegenheid gebruik hier een foto van te maken en dit stukje landschap goed in me op te nemen. Het is prachtig met de dauw die hier nog over de velden hangt.

Iets noordelijker buigt de route af naar het westen. Waar ik tot nog toe alleen langs de Duitse grens heb gereden, is Drente vanaf hier de grens. Het eerste stuk tot de Krim is langs een saaie N-weg, maar gelukkig buigt de route hier vanaf en kom ik op achterafwegen – al blijf ik vrij parallel langs de N377 tot Balkbrug. Dat is het nadeel als je een grens je route laat bepalen.
Vanaf Balkbrug volg ik het kleine stroompje de Reest tot deze in de buurt van Meppel in de Hoogeveensche Vaart uitmondt. Dit stuk heb ik al vaker gefietst maar ben heerlijk in gedachte en fiets in één ruk door naar Meppel. Dit is natuurlijk een Drentse stad, maar ik moet er wel doorheen, want dit is de enige mogelijkheid om de Vaart over te steken. Dat is jammer, want het industrieterrein van deze stad is niet echt boeiend.
Na Meppel wordt het landschap leeg. Lange wegen met uitgestrekte weilanden. Her en der wat stukken die verraden dat ik vlakbij het Wanneperveen zit, maar de route gaat hier eigenlijk net langs. Vrij saai allemaal, eerlijk gezegd, hoewel ik weet dat het net ten westen van mij prachtig is. Gelukkig warmt het ondertussen verder op, dus ik stop om een eerste laagje kleren uit te doen en de krentenbollenvoorraad in mijn achterzakje aan te vullen.

Niet veel verder wordt het landschap weer interessanter. Eerst een bosgebied in de buurt van Eesveen, wat geslinger rondom de Krolsbergen, en vervolgens naar Ossenzijl langs de Weerribben. Helaas gaat de route er niet doorheen, maar hier kom ik zeker nog wel eens terug.
Net na Ossenzijl draai ik een dijk op. Dit moet de oude Zuiderzeedijk zijn, want tot ik naar bij het pontje Zwartsluis – Genemuiden ben blijf ik hier op. Het is een prachtige oude dijk en ik spot hier zelfs een otter. Zonnetje erbij en genieten maar.
Als ik van het pontje af kom denk ik het even beter te weten dan de route die ik heb gemaakt, en rijd ik mezelf vast. Het stuk ten westen van de saaie N765 tussen Genemuiden en Kampen is namelijk niet langs de dijk te volgen zonder doodlopende wegen in te rijden. Jammer genoeg mis ik hierdoor een stukje van de echte provinciegrens, maar het is niet anders. De N-weg schiet wel lekker op en in no-time ben ik in Kampen waar ik voor het eerst de IJssel zie en over ga.



De route gaat om Kampen heen richting Zwolle. Wederom een stuk gebied met voornamelijk akkerbouw, en daardoor redelijk saai, en met stukken tegenwind in mijn bakkus ook niet echt heel lekker. Hoogtepunt hier is dat je de Veluwe mooi ziet liggen.
Bij de hoofdstad van de provincie mag ik weer de IJssel over om in zuidelijke richting naar Deventer te rijden. Het eerste stuk waar de wind echt in de rug is. Al leent de route zich niet heel erg om hard te vlammen. Zeker niet als ik over de markt in Olst moet. Door de lange rij weersta ik wel de verleiding om bij de bakker op de markt een stuk taart te kopen. Heb immers alle tijd nodig om voor de avondklok weer terug te zijn.
In Deventer gaat de route nog twee keer de IJssel over, en met vier crossings mag je deze provincie toch wel met recht Overijssel noemen. Dit komt perfect uit want net voor de brug terug Deventer in staat het provinciegrens bordje. Ondanks dat deze op een lelijke plek staat is het toch een must om hier een fotootje van te klik-klakken.

Na Deventer nog een dikke 120 km te gaan. Terug naar het Oosten. Het landschap is meteen minder uitgestrekt, wegen zijn nét wat minder recht toe recht aan en het avondzonnetje blijft schijnen.
Hoogtepunten hier zijn de bossen en natuurgebieden rondom Diepenheim en Langelo. Dat laatste verraadt ook dat ik weer terug in Het Oosten ben. De plaatsnamen op de bordjes bestaan weer uit de vertrouwde loo’s: Markelo, Bentelo, Boekelo, Haarlo etc.
Het Oosten wordt langzaam maar zeker het verre Oosten want in de verte zie ik windmolens. Dat moet de Duitse grens wel zijn. Op het moment dat ik hier ben begint de zonsondergang. Ik hoop daar een mooie foto van te kunnen maken, maar door de vele bomen vind ik geen geschikte plek, tot ik bij Losser kom. Hier is de locale scoutingvereninging vanuit een uitkijktoren aan het abseilen. Ik vraag of ik ook even de toren op mag en dat is geen probleem. Had zelfs mogen abseilen, maar dat laat ik even voor wat het is, en klim de toren op om het laatste stukje zonsondergang mee te pikken. Prachtig om dit boven de boomtoppen uit te kunnen zien. De foto hiervan mislukt, maar het beeld zit gelukkig in mijn geheugen opgeslagen.


Terug beneden is het donker geworden, en de laatste 15 kilometer rijd ik wederom in het donker. Gelukkig heb ik gisteren al gezien hoe mooi de Dinkel is, en vind ik het niet heel erg dat ik de mooiste stukken van dit rondje in het donker heb afgelegd.
Half 10 kom ik thuis en om 10 uur zit ik gedoucht en wel aan een locale Tripel. De IJssel ga ik nog wel vaker over! De Weerribben en de paadjes rondom de Dinkel verdienen het om verder verkend te worden.
