21 December, het is de kortste dag en voor het derde jaar op rij grijp ik dit moment aan om daarop een lange rit te maken.
Mijn oog is gevallen op de provinciegrens van West-Vlaanderen. Ooit had ik Sven, “eigenwijs randoneur” en kok voor teams als Cannondale en Soudal Quick-Step, beloofd te polsen of hij mee wil. Maar in plaats van mee te rijden, biedt hij me een slaapplek en zijn kookkunsten aan. Misschien nog wel beter.
Ik word opgehaald op station Brugge, krijg een uitgekiende maaltijd en word nog getrakteerd op West-Vlaamse hip hop van ‘t Hof van Commerce alvorens ik van een korte nachtrust kan gaan genieten.

Een paar uur later gaat de wekker. Waar het gisteren, wegens “de warmste week” nog druk was in Brugge, is het nu uitgestorven. Op het plein waar 10.000 man stonden is niets meer te doen. Enkel twee beveiligingsmedewerkers lopen nog rond.

Efin, hier kwam ik niet voor. Wel voor de provinciegrens, maar daarvoor moet ik eerst naar de kust, de stad uit. Logeren in Brugge zorgt zo toch twee keer voor 15km extra.
De weg naar Blankenberge is een saaie N-weg. Recht toe recht aan, maar met op dit tijdstip nog weinig verkeer, waardoor ik snel aan het randje kan beginnen.
Ook in Blankenberge is nog niemand op straat, waardoor ik over een lege boulevard naast de kustlijn kan rijden. Door het donker zie ik er niets van, maar door de wind hoor ik hem wel. Tot Knokke blijf ik langs de kust. Boulevard wisselen af met stukken langs de haven van Zeebrugge.

Na Knokke ga ik landinwaarts. Ik kom hier terecht op een dijk met heerlijk asfalt en wind mee. Perfect! Maar slechts van korte duur, want als ik de dijk af moet kom ik op een onverharde landweg. Deze lijkt er prima bij te liggen, maar maakt mijn fiets in één klap smerig. Nu is dat an sich niet zo erg, maar de plakkerige klei zorgt ervoor dat mijn velgremmen vol blijven lopen. Met water uit mijn bidon en takjes probeer ik dit te verhelpen, maar het is steeds van tijdelijke aard.
Ik vervolg mijn weg, maar het is nog altijd donker en er valt nog niet veel te zien in de polder. Ik fiets door, neurie ‘t Hof van Commerce en héél langzaam maar zeker wordt het licht. Nu ik wat kan zien van het landschap, heb ik niet de indruk veel te hebben gemist.

De klei waar ik door ben gereden is zo plakkerig dat er meer en meer vuil blijft hangen aan mijn fiets. In Ruiselede zie ik een carwash en deze gebruik ik om de klei af te spoelen. Dit trapt, maar remt vooral ook een stuk lekkerder.
Nog een ding moet ik doen en dat is mijn bidon bijvullen. Doordat ik het randje opzoek is er weinig horeca te vinden. Wanneer ik een man zijn krant uit de brievenbus zie pakken zie ik mijn kans schoon en vraag hem om water. Geen probleem, ik moet hem volgen het huis in. Het is een oudere man en volgens mij vindt hij het heerlijk even een praatje te maken. Alleen versta ik geen snars van zijn West-Vlaams accent.
Draaiende fiets en water in de pocket en dus kan ik weer vooruit. Ik verlaat de polders en er komt een lichte glooiing in het landschap. Iets meer afwisseling, maar de akkers blijven er schraal uitzien. Soms een veld met prei of spruitjes, maar meestal kaal.


Waregem wordt na de kustplaatsen de eerste stad die ik zie. Althans, dit beperkt zich tot de buitenwijken en industriegebieden ervan. Na de stad komen er heuvels, en wanneer ik afdaal naar de Bovenschelde zie ik de Vlaamse Ardennen liggen.
Op het jaagpad van de Bovenschelde kom ik de eerste wielrenners tegen. Blijkbaar een populair stuk want het zijn er meteen een hoop. Leuk om te zien. Minder leuk zijn de wolken die hier opdoemen.
De eerste regen van de dag dient zich aan. Tijd om mijn bodywarmer te verwisselen voor een regenjasje. Een goede en nodige call, want vanaf dit moment rijd ik de rest van de middag van bui naar bui. Met de buien trekt ook de wind aan. Storm Pia laat van zich horen.
In Spiere gaat mijn route richting het Westen en vanaf hier heb ik voortdurend de wind tegen. Wanneer ik Kooigem pal tegen de wind een klimmetje voor mijn kiezen krijg zie ik op de top hiervan een andere wielrenner. Dat geeft moraal toch een tandje bij te zetten. Ik zie hem bovenop dezelfde richting op gaan als ik ook op moet, en heb zo een mooi doel voor me. In de afdaling ga ik door de wind niet harder dan 26 a 27 km per uur. Op de volgende klim, die helemaal niet lang of steil is, zie ik net aan de dubbele cijfers. Gelukkig komt de andere wielrenner wel dichterbij. Net voor de top haal ik hem in, en bovenop scheiden onze wegen.

Inmiddels ben ik bij de taalgrens aangekomen. De route gaat om Moeskroen en andere grensplaatsen heen. Plaatsen die grossieren door de verkoop van benzine en “tabac”. Neonlichten en avondwinkels.
Mooi is het niet, maar ik vind dit soort grensplaatsen wel fascineren. Al kijk ik wel uit naar het Heuvelland. Dit is wel een gebied dat ik de stempel ‘mooi’ kan geven.


Langzaam kom ik dichterbij. Kemmel en de Kemmelberg liggen helaas niet aan de grens dus die worden overgeslagen. Wel kom ik bij Dranouter en Loker en mag ik onder andere de Baneberg op. Ik ben blij dat ik dit voor het donker heb kunnen doen. De schemering, misschien wel het mooiste moment van de dag, voor het mooiste stuk van de dag. Perfecto.


Na de heuvels wordt het donker ingeluid met de zwaarste bui van de dag. Wanneer de bui weg is ben ik in de buurt van Watou. Bij een tankstation maak ik me klaar voor de rest van de rit. Ik haal wat te eten en te drinken, laad mijn wahoo op en trek mijn reflecterende bodywarmer weer aan.

Met tegenwind naar de kust. Op veel plekken rijd ik letterlijk op de grens. Verder zijn er vooral landweggetjes en her en der een dorpje. Veel is er in het donker niet te zien. Highlights: een café waar men met de traktor heen gaat en een met neon verlichtte tabacschuur.
De Panne komt langzaam dichterbij en ik hoop dat wanneer ik naar het Noord-Oosten ga, ik voordeel van de wind ga krijgen.
Dat lijkt ook het geval wanneer ik in deze kustplaats over de boulevard rijd. Trappen hoef ik maar nauwelijks om 35 te rijden.



In Koksijde, de volgende badplaats, wil ik hetzelfde doen, maar ik krijg hier ook met 35 km per uur zand in mijn ogen. In combinatie met een strandstoel die ik verderop over de weg zie dwarrelen besluit ik toch maar rustig aan te doen. Dat wil zeggen: heel voorzichtig fietsen, en in plaats van op de boulevards, tussen de flats rijden.
Door het drukken van mijn tempo duren de laatste kilometers wel een eeuwigheid. De Belgische kust is niet de mooiste kust ter wereld en aan de verlaten N-weg komt geen einde.

Veilig bereik ik Blankenberge en hiermee is de cirkel rond. Helaas rest me wel nog een vijftiental kilometers terug naar Brugge. Sven heeft me ondanks het inmiddels late tijdstip aubergine lasagna beloofd. Die nu als een wortel voor een paard voor me hangt en niet veel later voor me staat.
Tof man!
LikeLike