Via Race
Via Race is een self supported ultra race van 4000 km waarbij de renners in de voetsporen treden van Hannibal Barkas. De race start in Cartagena en zal via de Pyreneeën, het Centraal Massief, de Alpen en Apennijnen naar Giovinazzo in het zuiden van Italië gaan.
Ik sta aan de start van de eerste editie van een trilogie. Want waar de race zal eindigen gaat deze volgend jaar van start.


Tussen 09:00-18:00 is de bike check. Francien helpt mee als vrijwilliger dus ik sta vroeg met haar op om mee die kant op te gaan. Vooral ook omdat de temperatuur op dit moment van de dag nog aangenaam is en ik in die temperaturen nog een testrondje kan doen zonder nu al oververhit te raken. Na het korte rondje begint het gezellig druk te worden op het grasveld aan de haven dat is ingericht als inchecklocatie. Ik kom oude bekenden tegen en ontmoet nieuwe mensen. De fiets wordt goedgekeurd, de tracker in ontvangst genomen, en mijn petje moet ik zelf stempelen. Niet met nummer 134, wat mijn startnummer is, maar met mijn naam. Hierna doe ik een siësta, om aan het eind van de dag weer terug te komen voor de rider briefing en gezamenlijk diner. Na de paella vroeg naar bed om uitgerust te starten.
20 juli – Cartagena – Quintanar de la Orden – 331 km
De start is om 09:00, dus er is tijd om rustig te douchen en ontbijten en dan naar de start te rijden. Op het plein komen steeds meer renners samen. Tassen worden ingeleverd, een laatste kop koffie wordt gedronken en angstplasjes moeten worden gedaan.
Om 09:00 is het startschot en met een politie escorte worden we de stad uitgeleid. Zodra we Cartagena uit zijn is de neutralisatie ten einde en begint het. Sommige renners sprinten weg anderen doen het rustig aan. Ik besluit tempo te rijden; niet te hard, maar wel met enige power. Nu is die er immers nog.


De weg naar Murcia heeft niet heel veel opties, maar toch zijn er al diverse routes zichtbaar, waardoor het peloton in groepjes uiteen spat en zoals het hoort iedereen daarna solo op weg is.
Net voor Murcia is er een korte klim met daarna een geweldige afdaling de stad in. Soort oase in het dorre droge zanderige landschap. In Murcia vormen zich vanwege de stoplichten toch weer groepjes, al hebben een paar mensen geen boodschap aan een rood licht. De stoplichten zijn erg irritant, vooral omdat je bij het afstappen de hitte die nu op komt zetten het meest voelt.
Na Murcia ga ik het niemandsland in. Ik zorg dat ik in de laatste voorsteden van Murcia mijn water volledig bijvul. Ik doe ORS in mijn bidon en denk dat ik goed bewapend ben tegen wat gaat komen. Dan ga ik met 43 graden en tegenwind die als een föhn voelt de woestijn in.



De eerste uren gaan prima, maar langzaam maar zeker krijg ik het steeds moeilijker. Door de droge tegenwind verlies ik mijn stem. Eten en drinken wordt moeilijker. Ik stop bij een tankstation om water bij te vullen en water in mijn gezicht te gooien en ben niet de enige. Voel me weer wat beter en ga verder.
Maar na vijftien minuten rijden raak ik weer snel verhit en bij het volgende tankstation stop ik weer en wat langer. Ik probeer te eten – chips lijkt me een goed idee vanwege het zout, en ik neem aquarius. Wanneer ik op wil staan om verder te gaan moet ik snel naar het toilet. Alles wat ik naar binnen heb gewerkt komt er direct weer uit. Geen goed teken. Ik zie Jan-Willem binnenkomen en die ziet er mogelijk nog slechter uit dan ik. Waarom weet ik niet, maar ik denk door hem gezien te hebben dat ik toch doorrijd. Een slecht idee, want na 20 min ben ik alweer bevangen door de hitte en moet ik stoppen onder een paar bosjes om maar uit de zon te zijn.
Vanuit daar is het nog 10 km naar het volgende tankstation, maar ik heb pas na 20 min in de schaduw weer de kracht om dit te doen. Het tankstation lijkt dicht, dus ik ga op het terras zitten om een siësta te doen. Als ik weg wil rijden blijkt het toch open, want ik zie Alex (Armstrong) en nog twee mensen in de shop zitten. Ik besluit me bij hen te voegen en een ijsje te eten voor ik weer wegga. Bovendien koop ik ijsblokken om in mijn nek te leggen. Dit koelt me dermate af dat ik weer kilometers kan maken.



Na het tankstation komt er een klim naar 900 meter, en vanaf daar is het ook een stuk koeler. Mijn route vervolgt zich langs een irrigatiekanaal en ook hiervandaan komt een klein beetje verkoeling. Niet genoeg om te verhelpen dat ik net voor Barrax kramp krijg. Ik moet stukjes lopen omdat ik de pedalen niet meer rond krijg. Jan-Willem haalt me in en ik zie hem weer bij een tankstation. Hij zegt een hotel te nemen. Ik blijf planloos en rijd naar de supermarkt van het dorp. Daar zit Alex (Groehl) een fles cola weg te tikken. Ik doe boodschappen en besluit goed te eten voor ik ook nog maar iets doe. Bananen, yoghurt, pruimen, etc. Alex zit nog op de grond als ik de winkel uit kom en ik ga naast hem zitten en begin met eten. Kennelijk zit ik toch niet helemaal goed, want op een gegeven moment krijg ik een krampaanval en schreeuw ik het uit van de pijn. Eerst mijn linkerbeen en dan mijn rechterbeen schiet in de kramp. Ik kan niet zelfstandig opstaan en ben blij dat Alex me omhoog helpt. Staan gaat. Alex rijdt verder, maar ik besluit in een bushokje in de schaduw te wachten tot het eten op zijn plek valt en het donker en koeler wordt.
Wanneer het het koeler wordt rijd ik door. Ik zit nog steeds op de rand van kramp en probeer rustig te peddelen en veel te blijven drinken. Dit helpt, en langzaam maar zeker komt de power weer terug. Omdat het nu wel aangenamer is qua temperatuur besluit ik lang door te rijden in het donker. De manier om toch nog wat progressie te maken.



Bij Villarrobledo kom ik een 24 uurs-tankstation – een zeldzaamheid – tegen, waar ik nog extra kan inslaan. Hier kom ik Tony tegen wiens achterlicht ik kilometers lang voor me zal zien.
Dan begin ik slaperig te worden. Ik wil buiten slapen, maar is er niets dan zandgrond en totaal geen beschutting. In Mota Del Cuervo probeer ik een hotel te pakken, maar alles is vol vanwege een festival in de stad. Dus ik rij stug door op zoek naar een slaapplek. Net voor Quintanar de la Orden komt Raphael van achteruit bij me. Hij is ook op zoek naar onderkomen. We zien bordjes met een hotel erop aangegeven bij het binnenrijden van het stadje en besluiten samen te proberen een kamer te krijgen.
Het dorp binnenrijdend – in de hoop op een hotelkamer – rijden we direct naar een pand met neonlicht. Dit blijkt echter geen hotel maar een bordeel. Gek genoeg staat er een prostituee op de parkeerplaats die ons wenkt en wat in het Spaans roept. Raphael als Colombiaan verstaat het en begint te lachen. “Yes we do need a room, but are not looking for the fun you offer”. Het hotel blijkt drie deuren verder te zijn en gelukkig zijn ook hier nog wel kamers. We boeken ieder onze eigen kamer en zullen elkaar nog een aantal keer in de race treffen.

