22 juli – Valladolid – Aguilar de Campo – 320 km
Mijn wekker gaat en ik druk op snooze. Voor de tweede wekker gaat word ik gebeld. Het is Ingeborg van de organisatie. Versuft neem ik de telefoon op. Het blijkt dat Nicky een paar kilometer verderop is aangereden en mij wordt gevraagd of ik hier naartoe kan gaan. Natuurlijk! Een beetje verward en vol adrenaline sta ik op. Op het moment dat ik de deur uitga word ik gebeld dat het niet meer nodig is omdat de ambulance er is, maar ik ga toch even kijken. Ik zie Nicky in de ambulance en Alex (Groehl), Rafael en Krystian zijn ook ter plaatse. Het blijkt dat we inderdaad niets kunnen doen en we vertrekken weer.
De adrenaline gaat langzaam uit mijn lichaam, het wordt koud en ik moet de drie anderen laten gaan omdat ik de energie niet heb. Warmere kleren helpen niet en de reepjes die ik nog heb krijg ik niet weg. Alle energie is weg.



In het eerstvolgende dorpje Villarramiel – dat ik ken van een bikepacktrip met Francien – stop ik. Ik ben te vroeg voor supermarkt of bar, maar ik heb energie nodig. Op het dorpsplein zet ik mijn fiets neer en zet een wekker voor wanneer de winkel open gaat. Ondertussen dommel ik weg op een bankje bij het geluid van een medewerker van de gemeente die tegel voor tegel aanveegt. Ik baal dat ik geen progressie maak, maar het geluid van de straatveger kalmeert. Alles hierin staat tegenover de race: kalmte en rust. Perfect om in weg te dommelen.
Als de wekker gaat heeft de straat veger zijn rondje bijna gemaakt, maar is de supermarkt nog steeds niet open. Het café aan het plein wel, dus ik bestel een koffie. Wanneer die op is ga ik naar de winkel, waar ik als eerste klant naar binnen stap. Het brood wordt net gebracht en ik koop naast een hoop drankjes wat biscuitjes, nootjes en brood.
Gewapend hiermee ga ik weer op pad. Ik heb nog steeds geen kracht, maar peddelen kan altijd. Het brood is te droog, maar als een klein kind eet ik alleen de zachte binnenkant en hiermee krijg ik toch wat binnen.



Ondertussen rijd ik door de velden naar gate one. Er is niets dan glooiende graanvelden en ik dwing mezelf elke drie kwartier voorzichtig biscuitjes te eten. Stukje bij beetje komt hiermee de kracht weer terug in mijn lijf. Met eten op de fiets heb ik nog nooit problemen gehad, maar de hitte doet wat met me.
Langzaam maak ik hoogte op weg naar de picos. Het wordt groener en ik begin weer te genieten van waar ik ben. Een goed teken.
20 km voor de picos – gate 1 – vul ik bij een tankstation alles nog bij en stop ik nieuw ijs in mijn nek. Niet veel later word ik toeterend ingehaald door een auto. Een dame zwaait naar me, maar ik ken haar niet. In een split second valt het kwartje: het is Jacco die met zijn vriendin hier op vakantie is. Iets verderop staan ze stil en ik stop voor een kort praatje wat me een mentale boost geeft. Hiermee kan ik de picos wel op.
Gate 1 en 2 horen bij elkaar en zijn de picos. Het begint met een kort steil klimmetje naar het stuwmeer, en daar is gate 1. Vervolgens gaat de route glooiend langs het stuwmeer naar Boca de Huérgano om daar in een vallei te komen die naar een pas loopt van 10 km. Overal is het groen en er stroomt water door de vallei. Op het moment dat ik de pas op ga zie ik Sam in de verte, wat me de kracht geeft wat harder te fietsen. Op de top zien we elkaar kort. Hij maakt een foto, ik ga meteen de afdaling in. Een hele hele lange, mooie, nog steeds groene afdaling.





📸 5: Ryan Le Garrec
In Potes, het dorpje in het dal, doe ik inkopen. In dit toeristische dorpje kom ik uiteraard Nederlanders tegen. Wel lekker om even je eigen taal te spreken in de rij van de supermarkt. Daarna snel door, want er staat een klim van 25 km op me te wachten.
Wederom heel groen en gelukkig grotendeels in de schaduw van de bomen. Na een kilometer of tien word ik ingehaald door prachtige dame op een racefiets. Ze heeft alles wat ik op dat moment niet meer heb: snelheid, souplesse en het ziet er makkelijk uit. Dat, terwijl ik loop te harken. Binnen twee minuten is ze uit het zicht. Ik kom haar weer tegen als zij afdaalt en ik nog 4 km moet. Jaloezie! Ik wil ook zo makkelijk fietsen nu.



Wanneer ik op de top kom besluit ik door te fietsen naar het eerstvolgende dorp, daar een goede maaltijd te nemen en een plan te maken voor de nacht.
De afdaling gaat naar de zuidkant van het gebied en het is hier weer minder groen, maar de weg loopt wel door machtige rotspartijen.
In het dorp in het dal doe ik eerst boodschappen en ga daarna eten. Op het terras zitten andere fietsers die vragen wat ik aan het doen ben en me ondertussen helpen met de bestelling. Rustig zitten eten voelt als tijdsverlies maar ik weet hoe ik vanochtend nog op een bankje voor een supermarkt lag, dus ik dwing mezelf tot rust en het nuttigen van een goede maaltijd.
Ondertussen probeer ik accommodatie te boeken, maar het is of veel en veel te ver weg, of te dichtbij. Ik kies voor de optie dichtbij en wat extra rust om de inzinking van vanochtend te boven te komen.


De volgende twintig kilometer rijd ik op een goed geasfalteerde N-weg naar Aguilar de Campo waar mijn hotel is. Een van de mensen van het terras komt me toeterend voorbij.
In Aquilar de Campo check ik in het hotel, maar moet flink onderhandelen om mijn fiets mee de kamer op te krijgen. Knipperend met mijn blauwe ogen lukt het uiteindelijk. Even goed slapen en bijkomen.