Randje Oost-Vlaanderen
21 december is de langste nacht van 2024 en het begin van de astronomische winter. Tijd om weer eens rond een provincie te fietsen. Dit keer is mijn oog gevallen op Oost-Vlaanderen. Het vroegere gebied van de Menapiërs met als belangrijkste religie de koers. Met nog 66 dagen tot de omloop hoog tijd om langs deze provinciegrens te fietsen.
Vanuit een pension gerund door een gepensioneerd echtpaar in Zwijndrecht, vlakbij de grens, vertrek ik. Met de drie in de klok gaat de wekker om rond 4 uur op de fiets te zitten.
Mijn fiets staat in de tuin onder een afdak en om de deur uit te kunnen moet ik via een grote poort die de tuin afsluit. Gisteren heeft de pensionhouder me uitgelegd hoe ik de deur uit kom. De afstandsbediening voor de poort heeft vier knoppen. De bovenste twee voor de poort werken niet, de onderste twee voor de garage, waar de honden zitten, durf ik niet te proberen. Ik besluit dus mijn fiets heel voorzichtig door de woning te tillen en geruisloos via de voordeur het pension te verlaten.



Via een aantal forten, die bij de stelling van Antwerpen horen, kom ik bij de Schelde. Het is bewolkt maar doordat er zoveel licht vanuit de havens en de stad komt is dit eerste stuk nergens pik donker. Het jaagpad dat langs de Schelde gaat fietst aangenaam. Alleen talloze konijnen en een enkel hert flitsen soms voor me uit. Opletten geblazen dus.
Net voor Rupelmonde buigt de Schelde en gaat het Jaagpad een donker bos in. De Macadam platen maken plaats voor spekgladde kasseien met een klein strookje aan de zijkant. Dit slingerende stuk van misschien twee, drie kilometer vraagt veel concentratie en is vermoeiend ondanks de lage intensiteit. Gelukkig kom ik zonder kleerscheuren het bos uit en is het resterende stuk naar Temse weer over een prima aangelegd jaagpad.
In Temse steek ik de Schelde over, maar blijf nog tot Briel op het jaagpad langs de rivier rijden. Nog steeds in het donker, maar omdat het jaagpad relatief schoon en overzichtelijk is blijf ik progressie maken. Dit houdt helaas na dit dorpje op. Een wirwar aan verschillende type wegen krijg ik voor mijn kiezen: n-wegen, landwegen, fietspaden en voetpaden. Weinig lange rechte stukken en veel geslinger. Het schiet niet op maar ik kan alleen mezelf kwalijk nemen zo puristisch mogelijk de provinciegrens te willen volgen.


In de omgeving van Aalst wordt het landschap wat glooiend, maar dit is slechts een voorbode voor de Vlaamse Ardennen waar ik later vandaag een stuk of 10 klimmetjes voor de kiezen zal krijgen. Na een paar liefelijke heuveltjes die mijn wahoo niet eens gecategoriseerd heeft daal ik af richting de Dender. Dit stuk ken ik! Het jaagpad langs dit riviertje heb ik, in tegengestelde richting, voor de allereerste uren van TCRno8 gebruikt. Er komen mooie herinneringen terug en voor ik het weet ben ik in Ninove.
In Ninove begint het langzaam licht te worden, wat maar goed is want mijn achterlampje is bijna leeg en ik heb geen zin om te stoppen om mijn andere lampje erop te zetten. Ook beginnen de heuvels vanaf hier. Het zijn nooit echt lange klimmen, maar na een uur of vier op de fiets zijn ze voelbaar. Daar staat een veranderd landschap met af en toe wat uitzicht tegenover.
De zonsopkomst is mooi, maar dit is meteen de enige zon die ik vandaag ga zien. Al weet ik dat hier nog niet. Ook zie ik ochtendrood. Dus water in de sloot…. Van de zon die er is geniet ik en ik vervolg mijn route door de Vlaamse Ardennen.



De Vlaamse Ardennen ken ik niet goed, naast de start van de Transcontinental Race ben ik er slechts één keer doorheen gereden. Maar naast de Muur heb ik geen van de beroemde klimmetjes van de Ronde en andere klassiekers gedaan. Omdat mijn route met de klok mee is doe ik slechts de afdaling van de Bosberg en verder ligt er geen beroemde kasseien klim op de provinciegrens. Reden om nog eens terug te keren.
De provinciegrens ligt om de gemeentes Geraardsbergen, Brakel en Ronse. Hier kom ik ook de eerste zaterdagfietsers tegen. Er wordt hier veel gefietst. Ik kom oudere mannen tegen die gezellig aan het keuvelen zijn, sportive fietsers die trainen en zelfs een peloton met een volgwagen. Bij de laatste probeer ik aan te haken, maar op het moment dat dit lukt splitsen helaas onze wegen. Het is leuk en geeft energie om andere fietsers tegen te komen. Vooral als er iemand bij een stuk tegenwind in mijn wiel komt hangen.
Halverwege de afdaling van de Knokteberg vertelt mijn Wahoo dat ik linksaf moet. Ik wil dit doen maar stuit op een wandelpad. Nog eens naar de route kijkend besluit ik 200 meter door te rijden en daar linksaf te slaan. Hier kom ik een mountainbiker met een Granfondoteam België shirt tegen. Hij kijkt naar mijn fiets en zegt “is goe te doen hoor op een gravelfiets”. Hij kijkt nog eens en zegt dat hij door de smerigheid van mijn fiets dacht dat ik aan het gravellen was. Met de wegfiets raad hij me toch aan nog iets verder om te rijden.
Helaas rijd ik na Kluisbergen alweer langzaam dit gebied uit. Bij Ruien mag ik nog de Kluisberg op. Nog even een vies steil stuk om daarna langs de Schelde mijn route terug naar het Noorden van deze provincie te vervolgen. Na een kort stukje jaagpad ga steek ik de Schelde over en verlaat ik de Vlaamse Ardennen.



Bij Gijzelbrechtegem, wat alleen al noemenswaardig is vanwege prachtige naam, volgen nog twee puistjes. Kort maar met genoeg hoogte voor uitzicht over het gebied waar ik zojuist vandaan kom: het Scheldedal met daarachter de heuvels.
Vanaf hier is het omhoog kijken. Op naar het noorden. Waar ik een half uur geleden het Franse Lille nog op de bordjes zag staan gaat de blik nu op de Nederlandse grens. Al is die nog ver weg.
Qua weer had ik nog niet veel te klagen. De tegenwind had ik in het begin van het rondje. Schuin tegen en tegen maakt plaats voor schuin mee en meewind. Helaas begint het wel te miezeren. Ik trek me er niets van aan rijd stug door richting Zulte. Langzaam maar zeker gaat het harder regenen en door mijn drang door te fietsen trek ik eigenlijk net te laat mijn regenjas over mijn vochtig geworden gabba aan. Ik heb het niet koud maar ik had er goed aan gedaan hier wat eerder voor te stoppen.


Na Zulte is het vlak, de weilanden waar ik doorheen fiets zijn saai. Door de regen die niet meer zal stoppen ziet alles er grauw en troosteloos uit. Er is niets noemenswaardig te zien. Waar er ook niets meer van is, is water in mijn bidon. Ik sta al een tijdje droog maar begin nu dorst te krijgen. In Zulte ving ik bot doordat het tankstation wat ik voor ogen had onbemand was en na deze wat grotere plaats kom ik eigenlijk niets tegen. Een provinciegrens loopt nu eenmaal zelden dwars door een dorp of stad. Ook in Poeke, een schattig dorpje naast een kasteel vang ik bot. De kroegen die er zijn zien er dicht uit en de mensen op straat zijn druk bezig met de opbouw van een kerstactiviteit. Tot Knesselare zit ik zonder drinken, maar daar kan ik bij de bakker eindelijk mijn bidon bijvullen. Terwijl het bakkersmeisje mijn bidon aan het vullen is tik ik een cola en een chocomel weg. Als ze met een volle bidon terugkomt kijkt ze naar de lege verpakkingen en zegt ze “Allee gij moet dorst gehad hebben”. Ik knik en maak aanstalten weer te gaan. “Salukis!”.
Terug de regen in. Ondanks dat ik per saldo wind mee heb op het laatste stuk, kom ik door het draaien en keren toch stukken met tegenwind tegen. Deze stroken voelen aan als het rijden tegen verticale regen: nat en koud. Ik ben blij dat het landschap verandert en dat de kale akkers plaats maken voor bosrijker gebied. Ook zijn er meer lanen en dus beschutting.


Langzaam maar zeker kom ik dichter bij de Nederlandse grens en wordt het ook donker. Nou heb ik het zelfde stuk tijdens “Randje België” al eens gefietst en weet ik hoe de weilanden er hier bijliggen. Zeker op deze grauwe dag mis ik niet veel. Zo kan ik me concentreren op de Macadam platen die onder het slijk liggen en proberen een stootlek te voorkomen. Een smerige fiets plakken in de regen is momenteel mijn grootste angst dus ik rijd voorzichtig over de smerige wegen.
De Nederlandse grens betekent wel verandering van koers. Terug naar het oosten. Door de polders naar Zelzate waar ik het Kanaal Terneuzen-Gent oversteek. Daarna op weg naar de havens van Antwerpen.
Ik passeer een paar leuke dorpjes waar op zaterdagavond leven in de brouwerij is. Het dorp Overslag valt me op vanwege de frituur “De Grenspost” in het oude douanekantoor. Ook Koewacht, een dorp dat zowel in België als Nederland ligt, en De Klinge zien eruit als gezellige plaatjes. Waarschijnlijk omdat het etenstijd is en de restaurants en cafés gevuld zijn.


Na deze levendige dorpjes ga ik op weg naar een levenloos dorp. Doel. Een ghost town. Het plaatsje moet ruimte maken voor een nieuw dok in de haven en is sinds dat politieke besluit onbewoond. Met daglicht was ik hier al eens geweest maar in de avonduren is het nog wat desolater. Het dorp kent maar een paar straten en ik besluit ze allemaal door te fietsen en het rustig te bekijken. Dat het een vreemde plek is wist ik al, in het donker wordt dit alles alleen maar versterkt. Spooky.
Direct na het verlaten van Doel kom ik in de havens van Antwerpen. Ook een plek die me fascineert. Op zaterdagavond is er minder bedrijvigheid dan doordeweeks en overdag, maar desalniettemin rijden er vrachtauto’s en staat er ergens een sluis open waar ik voor om moet rijden. Verlichting is er ook in overvloed. Ruim een uur voor ik in de havens was zag ik de havens al dichterbij komen door al het kunstlicht dat hier brandt. Tussen de containerterminals, kranen, sluizen en treinrailzen rijd ik mijn laatste kilometers van dit randje.
Bij Kallo rijd ik de haven uit. Hier komen een paar jongens de kantine van de plaatselijke voetbalclub uit en roepen in plat Vlaams iets in de trant van “kijk daar heb je Tom Boonen”. Ik gniffel en ga de laatste paar kilometer van dit rondje in.
Nat en onder de modder kom ik aan bij mijn pension. Moe, koud maar wel weer voldaan maak ik gebruik van het bad van dit establisment. Inmiddels nog maar 65 dagen tot de ronde. Laat deze maar komen.

Respect! Leuk om dit verslag te lezen.
LikeLike