Dit keer geen provinciegrens maar een districtsgrens, want zo noemen de Portugezen hun provincies / bestuurlijke regio’s. Naast de hoofdstad van het land is Lissabon ook de hoofdstad van het district. Portugal telt 22 districten dus vraag me niet of ik wel weet waar ik aan begin.
Ik heb er zin in en dat blijkt. Om 3:15 gaat de wekker maar ben gek genoeg om 3:10 al wakker. Kleed me aan, ontbijt en sluip het appartementencomplex waar onze Air BnB in zit uit.
Ericeira is op dit tijdstip alles behalve uitgestorven. Rondom een club aan de haven hangen jongeren die nog van het uitgaansleven aan het genieten zijn. Ze kijken me raar aan maar zijn toch vooral met zichzelf bezig. De straatjes verder van de club zijn wel leeg en het kleine vissershaventje ligt er rustig bij. Na de witte, soms gladde, kinderkopjes van het dorp draai ik de kustweg op in noordelijke richting met aan mijn rechterkant de Atlantische Oceaan.


De route had ik zo getekend dat ik eerst naar het zuiden zou gaan om al vroeg, voor de drukte, in Lissabon te zijn, maar heb me bedacht. Omdat de rondjes die ik afgelopen week deed erg traag waren, denk ik met het omdraaien van de route, toch pas in de avond in deze stad te zijn en ik wil het uitgestorven noorden sowieso met daglicht zien.
De eerste pakweg 50 kilometer zijn langs de kust. De grote kustweg is een goede N-weg die ook nog eens veelal verlicht is. Dit rijdt goed door. Maar een randje zou geen randje zijn als ik hier niet her en der vanaf moet om de rand op te blijven zoeken. De kust heeft stranden maar bestaat vooral uit hoge kliffen. De kleinere wegen zijn een stuk slechter en daar waar ik echt tot bij de kliffen kom is het steil. Dit gaat langzaam; vooral de steile, donkere afdalingen met slecht wegdek neem ik erg voorzichtig. Ook blijken enkele wegen onverhard te zijn. Nu ben ik daar niet per se vies van, maar omdat er stukken zijn van ruim boven de 10% besluit ik eieren voor mijn geld te kiezen met mijn 28mm slicks.
Het merendeel van de route gaat gelukkig over de grote weg waar ik als passant door de slapende dorpen rijd. Ik blijf het mooi vinden om ‘s nachts te fietsen door de eenzaamheid. In Cambelas krijg ik echter gezelschap. Dit dorp staat namelijk vol met verklede poppen. Van de eerste twee schrik ik een beetje want het lijkt of er opeens iemand over wil steken. Toch denk ik niet dat ze er staan om het verkeer af te remmen, maar vermoed ik dat ze er staan voor het aankomende carnaval. Het blijft wat spooky om de 75 meter een verklede pop te zien in een donker en leeg dorp.



Ondanks dat het nacht is blijft er genoeg te zien. Van de kustweg en haar verlichting af valt het pas op hoe helder het (nog) is. Er zijn veel sterren zichtbaar en een prachtige halve maan hangt in de hemel.
In Praia da Areia Branca zijn de eerste tekenen van het dagelijks leven te ruiken: de geur van vers brood. Ik pak snel een reepje uit mijn frametas want dit maakt me hongerig. Na dit dorp volgt nog een klein stuk langs de kust, maar mijn route zal snel oostwaarts gaan, langs de grens met het district Leiria.
Het eerste stukje landinwaarts is langs een grote weg over een kam. Aan beide kanten kijk ik de vallei in en zie ik door de lampen de dorpjes liggen. Al snel wijk ik af van de grote weg om de districts grens te volgen. Het wegdek is nat wat ik wijt aan de dauw. De eerste tekenen van de nieuwe dag, samen met de eerste stralen daglicht. Net buiten Moledo staan een paar prachtige Portugese molens waar ik snel een kiekje van maak.


Hoe verder ik landinwaarts ga hoe minder bevolkt. Mijn route gaat nu richting het oosten, dus ik zie de zon opkomen. Wat ik ook zie is dat het een stuk bewolkter is geworden. Vanuit het zuidwesten komen donkere wolken aan. Ook in het noorden hangen donkere wolken, wat het natte wegdek verklaart. Ik zit tussen de buien in en hoop dat de zon het wint van de bewolking. Dit lijkt het geval, maar is vooral te danken aan het feit dat ik van de bewolking af beweeg. Wonder boven wonder houd ik het voorlopig droog.
De zon komt meer en meer door maar blijft in de ochtend laag hangen. Het is al een mooi gebied, maar met zonnestralen erop bij tijd en wijlen adembenemend. De route gaat om de stad Bombarall heen en in de verte is Serra de Montejunto te zien, een beschermd landschap en met 660 meter het hoogste punt in de omgeving. De heuvels die ik afwerk zijn echter niet hoger dan 170 meter maar omdat ze elkaar voortdurend opvolgen en er altijd een steil stuk in zit, maak dit het geen gemakkelijk stuk.
Het landschap is groen, er zijn enkele wijnranken, maar het overgrote deel is niet gecultiveerd. Dat is alleen rondom de spaarzame dorpjes het geval. Het is ochtend geworden en het leven is op gang gekomen. In de cafeetjes wordt ontbeten en ook de eerste weekend warriors, vriendelijk groetend, kom ik tegen op hun racefiets.






De zon lijkt te hebben gewonnen. Ik zie het water op het asfalt verdampen dus mijn regenjas en buff kunnen uit en omdat ik toch stilsta smeer ik me meteen in. Te vroeg gejuicht. Een half uur later fiets ik een plensbui in. Het duurt nog geen tien minuten, maar het is genoeg voor een nat pak en het wast alles wax van mijn ketting. De temperatuur blijft aangenaam, dus afkoelen doe ik niet.
Niet lang na de bui daal ik af de vlakte in. Ik weet niet of het zo heet, maar ik noem het maar de Taagvlakte. Net zo saai als de Povlakte in Italië en ik wil me niet voorstellen hoe het hier met 40+ graden is. Allereerst moet ik naar Porto de Muge om de Taag over te steken. Hier staat een lange smalle brug. Auto’s passen er net aan op en voor fietsers is er een smalle strook over, met na de regen, gladde traanplaten. De Taag ligt er mooi bij, maar omdat het smal en glad is moet ik me concentreren op de traanplaten.
Aan de overkant van de Taag kom ik op een drukke weg die me naar het zuiden brengt. Ik trek een stukje door de provincie Santarém vanwege de brug. De drukke weg is vervelend maar het schiet wel op. In een dorpje zie ik een groepje gravellaars hun fiets schoonmaken. Ik besluit hetzelfde te gaan doen na de regen, maar als ik doorheb dat de eerste pas net bezig is besluit ik verder te rijden. Geen zin om tijd – en daglicht – hieraan te verliezen.







Na nog een stukje op de drukke weg mag ik er vanaf. Over de minder drukke weg kan ik meteen verder klagen, want hier krijg ik tegenwind. Het is ook nooit goed. Maar over de Povlakte heb ik ook zelden wat positief geschreven dus waarom over de Portugese equivalent wel. Nou ja, het toffe aan de leegte is wel dat je enorm ver kunt kijken. Zo zie ik de heuvels waar ik vandaan kom en een enorme brug waar ik naartoe moet, maar niet dichterbij lijkt te komen. Ok, vlakte met tegenwind is demoraliserend. Had ik wind mee gehad dan had ik het waarschijnlijk anders gezien.
Na de lange leegte komt de volgende lange leegte, maar dit keer met een vraagteken. Bij het maken van de route had ik namelijk twijfels over het stuk rondom Aeródromo da Lezíria, een oud vliegveld op Reserva Natural do Estuário do Tejo. De eerste twijfel was of ik hier wel komen mag, de tweede of de gravel die hier ligt te berijden is. Mijn eerste twijfelpunt wordt vergroot door een enorm hek voor de ingang. Ik twijfel even maar besluit toch om het hek geen te gaan en de gravel te betreden. Die is prima te berijden. Na een kleine kilometer schrik ik als er een zwarte jeep van achter naar me toe komt gereden. Ben ik hier op illegaal terrein? De jeep passeert en negeert me gelukkig. Ik passeer het oude vliegveld waar wat mensen bezig zijn en maak het gravelloopje af. Aan het einde geen hek, maar kan gewoon de weg op.


Weer op het verharde mag ik de Taag weer over. Dit keer over een brug waar wel goed over te fietsen valt. Aan de andere kant van de Taag beginnen de voorsteden van Lissabon: Alverco do Ribatejo, São João de Talha, etc etc. Omdat ik mijn route reversed rijd heb ik hier wat problemen met eenrichtingsverkeer en mis ik ergens een doorgaand fietspad. Het is goed opletten, want het is een wirwar aan N-wegen en de fietspaden die ernaast liggen zijn niet allemaal even goed en al helemaal niet logisch aangelegd.
Echt genieten door al dit verkeer ,en ik weet dat dit nog tot ver na Lissabon zo zal zijn. Ik besluit daarom bij een tankstation te stoppen en goed bij te vullen zodat ik niet al te chagrijnig door het verkeer hoef. Ook zie ik in de buurt van het tankstation iemand met een tuinslang zijn auto wassen. Ik vraag hem vriendelijk of ik mijn fiets even mag afpoetsen. Met een schone machine rijd je immers toch een stuk lekkerder.
Langzaam maar zeker rijd ik Lissabon in. Hoe dichterbij het centrum hoe drukker. Ik fiets langs een paar highlights zoals Praça do Comércio en Ponte 25 de Abril. Maak snel wat kiekjes maar wil ook weer de menigtes uit. Niet een stad om aan sightseeing te doen terwijl je met de fiets bent. Wel een stad om nog eens rustig te voet te gaan bekijken.





Terwijl ik de stad uitrijd en de voorsteden die ten westen van de hoofdstad liggen inrijd begin ik me meer en meer te ergeren aan mijn piepende ketting. Ik besluit mijn ogen goed open te houden voor een fietsenwinkel en wonder boven wonder vind ik er een op een van de promenades aan de kust. Met zonder gepiep mag ik over een grote drukke weg door de spits de stadjes door. Het doet me goed dat ik aan de andere kant van de weg ook racefietsers zie, wat voor mij een soort van bewijs is dat dit de normale gang van zaken is: met de fiets door het verkeer. Omdat ik voor lig op mijn schema moet ik door de spits het verkeer door. Voordeel is wel dat ik hierdoor waarschijnlijk de zon kan zien ondergaan in de zee.
Ondanks de drukte schiet het wel op en draai ik weer naar het noorden voor de zon onder is. Wanneer het begint te schemeren draai ik de hoogste beklimming van de dag op: de weg naar Cabo da Roca, het westelijkste punt van het vasteland van Europa. Hier was ik een paar dagen geleden al en weet dat deze weg prachtige vergezichten over zee heeft, met op dit tijdstip dus de zonsondergang op zee.






De afdaling van deze klim doe ik in het aller- allerlaatste daglicht en beneden in Colares is het donker geworden. Op het rijden door de spits na toch redelijk ideaal getimed. In Colares kom ik langs het huis waar Madonna het nummer “Butaka” heeft opgenomen. Ik kende het nummer niet, maar vanaf dit punt had ik “Frozen” in mijn hoofd.
Vanaf hier kom ik op bekend terrein, althans de wegen waar ik eerder deze week op heb gereden. Ik laat Francien weten dat ik graag nog mee wil eten als dat een optie is. Dit geeft me meteen een hongerig gevoel en zie dat ik alleen nog een gelletje heb. Uit voorzorg stop ik bij een winkeltje. Ze blijken hier van alles en nog wat te hebben maar het enige eetbare zijn zure snoepjes. Die neem ik maar en blijken nodig te zijn om me de laatste paar steile heuvels over te helpen.
De lampen van Ericeira komen in zicht en voor ik het weet ben ik terug bij ons tijdelijke onderkomen. Francien maakt de deur open en de pasta met broccoli staat voor me klaar.
Lissabon je hebt me een geweldig dagje bezorgd.