Dag 11 Osnabrück – Amerongen – 412km – 654hm
Na een paar uur word ik wakker. Ondanks mijn vermoeidheid sta ik bij het horen van de eerste tonen van mijn alarm op. Ergens heb ik toch nog in mijn hoofd op Sam te gaan jagen. De kans hem nog te pakken is klein, maar de finish is bij de finish. Daarbij ben ik ook nog niet van James Benson-King af. Mijn marge is redelijk groot, maar het lijkt me een man voor het vlakke, dus ik ga mijn klassering niet op het spel zetten. Heel kort douchen, smerig geworden kleding aan en terwijl ik wat te eten in mijn mond stop de hotel kamer uit.
Wanneer ik met mijn fiets in de lift sta kijk ik op de tracker. Sam heeft de hele nacht doorgereden en lijkt gevlogen. De enige hoop die ik heb is dat hij instort, maar als hij blijft fietsen is het gat waarschijnlijk te groot. Hetzelfde geldt voor het gat dat ik heb op James. Als ik geen gekke dingen doe moet ik veilig zijn, maar het is ook nog meer dan vierhonderd kilometer naar de finish. Er kan van alles gebeuren.
De nachtportier neemt mijn sleutel in ontvangst en niet veel later begeef ik me in een uitgestorven Osnabrück. Het is net na drieën, ik zie het als dinsdagochtend, maar je kunt het ook als maandagnacht zien. Geen dag voor nachtbrakers en zelfs te vroeg voor de bakker, krantenbezorger of trucker.
Na de stad volgen lange rechte wegen. Met uitzondering van het stuk rondom Haler-Feld-Vogelpohl dat wat relief heeft is het vooral lang rechtdoor met tegenwind. Dorpjes zijn er nauwelijks te bekennen, maar omdat er geen kip op de weg is kan ik de rijbaan mooi gebruiken. Deze ligt er in tegenstelling tot de fietspaden goed bij, wat minder energie kost dan rijden over een hobbelend fietspad waar je elke meter moet scannen voor kuilen en oneffenheden. Zo rijd ik een aantal uur door tot het net voor Haselünne drukker wordt en ik me veiliger waan op de hobbelende fietspaden. Niet lang hiervoor is het licht geworden en het wordt tijd om te ontbijten. Aan ontbijt denken deed ik al een tijdje, maar nu pas doet zich de gelegenheid aan. Bij de Netto van Haselünne zie ik dat de bakker open is en ik sla mijn slag. De bakker en bakkersvrouw blijken Nederlanders te zijn die naar Duitsland zijn vertrokken. Ik bestel een goede hoeveelheid broodjes en ze vragen of ik speciaal de grens over ben gefietst om Duitse broodjes te halen. Het is heerlijk om weer eens even Nederlands te spreken, dus terwijl ik mijn koffie opdrink vertel ik wat ik aan het doen ben. Ze vinden het geweldig en vertalen het direct naar de andere klanten in de winkel. Wanneer ik wegga wenst iedereen me succes met de laatste loodjes.

Dit is een fijne opsteker. Bewapend met een nieuwe lading Duitse broodjes die samen met het broodje falafel in mijn musette bungelen rijd ik richting de Nederlandse grens. In dit saaie stuk Duitsland is dat mijn volgende mikpunt. De grens is voelbaar, Meppen is een plaats die ik vaker ben gepasseerd en hierna staat Stadskanaal op de borden. Voelbaar, maar tegelijkertijd ook nog erg ver weg. De wegen zijn namelijk saai en geestdodend en daarbij zit de vermoeidheid erin. Hoe ver het nog is weet ik niet, maar het duurt nog een tijdje voor ik daadwerkelijk bij de grens ben.
En dan gebeurt het, de Nederlandse grens is daar. Het bordje van de landsgrens doemt op en ik ben terug in eigen land maar nog lang niet thuis. Meteen heb ik een prachtstuk te pakken: dwars door Ter Apel, Musselkanaal en Stadkanaal. Wat een prachtig welkom, niet alleen voor mij, maar, zo bedenk me, wat een geweldige entree moet dit ook zijn voor de andere racers.

Na deze prachtige stukken bewoonde wereld blijf ik langs het kanaal, maar wordt het open. Hier merk ik dat er veel wind staat. De open stukken zijn misschien minder lelijk maar wel pittiger. Na Hoogezand draai ik nog wat meer naar het westen en komt de wind nog harder in mijn gezicht. Dit belooft wat voor de laatste gate: Lauwersoog.
Maar eerst door Groningen. Net voor ik in de stad ben belt een trainingsmaatje me op. Gek genoeg neem ik op, hij vraagt of ik naast mijn tracker ook mijn whatsapp live locatie wil delen zodat hij me kan opzoeken op een blikje cola te brengen. Ik zeg dat dat niet de bedoeling is, en vind het maar een vreemd belletje. Even later, wanneer ik in het drukke verkeer van Groningen zit, belt hij weer. Ik druk hem weg want zit hier helemaal niet op te wachten, merk ik. Dan appt hij om te zeggen dat hij toch niet komt. Eigenlijk alleen maar fijn. In Groningen kom ik wel een andere dotwatcher tegen. Iemand die het wel snapt namelijk Wout. Hij is ook gestart aan de race maar door een aanrijding uitgevallen. Ik ben dan ook verbaasd hem in Groningen langs de kant van de weg tegen te komen.

In Groningen heb ik last van een paar open bruggen die voor oponthoud zorgen maar dit is slechts een klein probleem. Een groter probleem doet zich net voor het verlaten van de stad aan: een lege Di2. Schakelen kan niet, wat toch wel echt nodig gaat zijn om de Dutch mountains te bedwingen. Ik stop en verzin een constructie om via mijn powerbank al rijdend het elektronische schakelsysteem op te laden. Met wat tie-wraps en de straps van mijn frametas lukt dit. Tijdens het laden schakelen lukt niet, maar ik heb de hoop dat dit werkt. Ook laad ik direct met de tweede USB poort mijn Wahoo op, want ik wil voorkomen dat mijn powerbank volledige leeg getrokken wordt en ik later op de dag geen batterij meer heb om te navigeren. Met de kabels hangend uit mijn frametas rijd ik verder.
De stad uit, de wind in. Schakelen lukt niet dus maar gelukkig staat mijn verzet licht. Voor mijn doen moet ik een hele hoge cadans trappen om vooruit te gaan. Waarschijnlijk is het nog geen 80 rpm maar het voelt alsof ik in het luchtledige trap. Noord Groningen is open en schuilen voor de wind is er niet bij. Vooral het stuk naast het kanaal is ploeteren maar ook richting Zoutkamp kom ik niet vooruit. Het begint te regenen en voor de zekerheid ruim ik de powerbank en bekabeling op. Schakelen kan weer en dat komt geen moment te vroeg. Rondom het Lauwersmeer kom ik veel fietsers tegen. De fietsers die me tegenmoet rijden vliegen me ondertussen voorbij wat ook betekent dat ik nagenoeg stilsta. Richting het noorden wil het nog wel, maar op het moment dat ik de dijk op draai richting de laatste Gate sta ik echt nagenoeg stil. De vlaggen wapperen heel hard de verkeerde kant op en de wind is een ware Dutch Mountain. Geen laffe bedoeling. Naar mijn snelheidsmeter kijk ik liever niet, ik mag blij zijn als ik niet onder de tien per uur zak. Het einde van de dijk is zichtbaar maar komt nauwelijks dichterbij.
Wanneer ik dan toch de overkant bereik komt Wout me nog even aanmoedigen. Hij komt van de dijk afgerend en roept me nog wat toe wat ik nauwelijks hoor met de wind in mijn gezicht. Het einde van de dijk is het punt waar de route langzaam maar zeker naar het zuiden draait. Langzaam, de wind is is niet meer pal tegen maar schuin tegen. De kilometers per uur gaan een beetje omhoog, maar daar is alles mee gezegd.




In Ie neem ik een bocht en merk ik dat ik een lekke band heb. Niet het slechtste moment. Ik ben in het dorp, zie een een overkapping van kerkelijk gebouw en vervang hieronder mijn band. Een klein stukje glas is de boosdoener en terwijl ik dit doe begint het te regenen en wanneer ik klaar ben is het over. Hoewel lek rijden nooit leuk is kon de timing niet beter.
Hierna zet ik koers naar Drachten. Hier vind ik een fietsenmaker waar ik mijn band wat harder op kan pompen en bovendien een nieuw bandje kan bijkopen. Je weet maar nooit. Vanaf hier heb ik twee routes klaar staan, een door de polder en een over de Veluwe. Qua kilometers scheelt het nauwelijks, maar met de wind die er staat is het een no brainer om via de Veluwe te gaan. Niet alleen verwacht ik minder last van de wind te hebben op de Veluwe, ook de route naar Steenwijk is een stuk beschutter dan wanneer ik via de Friese meren rijd. De bomen waar ik onder rijd houden niet alleen de wind weg, ze maken de regenbuien die soms vallen ook wat minder erg.
Tussen Beetsterzwaag en Gorredijk kom ik een Dotwatcher tegen die een klein stukje meerijdt. Een aardige vent, die weet dat hij niet voor me rijden moet en me even afleidt. Wanneer hij weg is merk ik dat ik koud en futloos ben en doe mijn beenstukken aan. Ik zit te prutsen, ruik de finish, maar het schiet niet op. Ik kijk op de tracker en denk te zien dat James dichterbij komt. Dit houd ik mezelf ook vooral voor want het is een motivatie om de turbo aan te slingeren. Die turbo klinkt misschien heel wat, maar met de huidige vermoeidheid betekent dat van 22kmpu naar 26kmpu. Of James echt dichterbij komt check ik vervolgens niet. Ik blijf mezelf voor de gek houden en motiveren door te fietsen.
Na Steenwijk kom ik in het open veld rondom Giethoorn. Nog steeds gemotiveerd, maar nu om een extra reden. Ik zie namelijk dreigende wolken dichterbij komen, maar ook dat wanneer ik extra doortrap, ik de kans heb hieraan te ontsnappen. Tussen Zwartsluis en Hasselt is de wind gunstig en zie ik dat doorrijden baat. Voor de zekerheid doe ik toch mijn regenjasje aan en dat is precies op tijd. In Hasselt is er aan een enorme wolkbreuk niet meer te ontkomen en tot Zwolle blijft het nat, maar van stoppen wil ik niet weten, want James zit in mijn gedachte nog steeds op mijn hielen. Achteraf hoorde van hemzelf dat hij even de hoop had me te kunnen inhalen, maar dat ik opeens te snel ben gaan fietsen om hem nog te motiveren. Het heeft dus gewerkt mezelf wat in te prenten.

Na Zwolle rijd ik de Veluwe op. De harde regen is weg maar het blijft wisselvallig, af en toe is er nog een klein buitje en af en toe schijnt de zon. Goed voor een prachtig beeld in een gebied dat ik goed ken. De route is verder recht-toe-recht-aan, alleen een klein onverhard doorsteekje van een meter of 500 en verder relatief rechte wegen richting Amerongen. Dat maakt de route voor mijn gevoel wel vreemd, normaalgesproken rijd ik alle wegen net iets anders, omdat ze van en naar Utrecht gaan in plaats van naar Amerongen.
Op de tracker kijk ik niet meer, in mijn hoofd blijf ik opgejaagd door James, wat zorgt voor “snelle” kilometers, maar bij Barneveld merk ik de vermoeidheid. Doortrappen lukt nog wel maar mijn evenwichtsorgaan doet raar. Niet dat ik van mijn fiets val, maar ik heb het gevoel dat ik door glooiend landschap aan het rijden ben en ervaar dit dorp als bruisende stad.
Na Barneveld ruik ik de finish, Renswoude staat op de borden en ik weet dat het dan niet ver meer is. Net na deze plaats komen teamgenoten Danny en Stan achterop gefietst om me aan te moedigen. Ze vertellen me dat ze me eigenlijk in Zwolle hadden willen aanmoedigen, maar ze me niet hebben kunnen vinden en al sinds die tijd kop over kop in de achtervolging op me zijn. Ze hebben moeten afzien om me te vinden, want naast fietsen om me in te halen hebben ze om de zoveel tijd stil moeten staan om mijn locatie en route te kunnen bepalen. Uiteindelijk hebben ze aan het eind van de dag bijna 200 km gereden om mij vijf minuten te kunnen zien. Hilarisch.
Na Renswoude ben ik er bijna, het spoor nog over en de Amerongse berg op. Het spoor is afgesloten. Dit weet ik omdat iemand me hierop heeft geattendeerd. Blij ben ik hier niet mee. Dit is hulp van buitenaf, maar ook ongevraagd advies. Ik kan er niets aan doen dat ik deze info heb maar het voelt niet goed. Dus voor wie dit leest, bemoei je alsjeblieft niet met mijn routes tijdens het rijden. Het is een self supported race. Het hebben van deze info is niet eerlijk ten opzichte van mijn concurrentie. Als het close was geweest met Sam of James had ik niet geweten wat ik hiermee had moeten doen. Waarschijnlijk had ik dan mijn oorspronkelijke route gevolgd en was dan omgedraaid. Hoe dan ook, ik weet van de afgesloten spoorwegovergangen en rijd direct goed richting de laatste col: de Amerongse Berg. Waar ik in Barneveld al glooiing zag zie ik deze op de vlakke aanloop naar deze heuvel weer. Het Total Energie tankstation voor de berg doet me even denken dat ik in Frankrijk ben, terwijl ik heel goed weet waar ik me begeef. Dan doemt hij op, de heuvel waar ik mijn blokkentrainingen doe. Precies op het moment dat ik eraan begin begint het ook te regenen maar dat doet me niets meer, ik ruik de Proloog.

Na de korte afdaling rijd ik Amerongen in, ik zie de vlag van de race en draai het plein op waar de Proloog aan ligt. De hoorn wordt door Sam geblazen en de finish is daar. Ik geef Sam een high-five terwijl ik wil afstappen en val nog bijna op de grond. Daarna zie ik wie er allemaal voor me naar Amerongen zijn gekomen. Het is half elf, mijn moeder roept “weet je wel hoe laat het is” en ze heeft gelijk. Aan iedereen die er was: “weet je wel hoe laat het was?”. Ik bedoel “bedankt voor deze geweldige ontvangst!”. Na tien dagen, 14 uur en 26 minuten ben ik als zevende finisher over de streep gekomen. Wat een trip!
















Jair, wat een prachtig verslag van een bijzondere tocht, dank daarvoor. Wonderbaarlijk dat je tijdens je race nog regelmatig geniet van wat je ziet, het lijkt me daardoor ook nog draaglijk om het ook daadwerkelijk vol te houden.
LikeLike
mooi om je hele verslag te hebben gelezen, wat een belevenis.
maakt na het dotwatchen, de race nog levendiger
Genoten.
LikeLike
geweldig wat een verslag en race , jammer dat ik je gemist heb in Stadskanaal klakske af hoor💪😃
LikeLike