Randje Prince Edward Island (Strava link)
PEI, zo wordt Prince Edward Island afgekort en genoemd. Een aantal maanden geleden kreeg ik een uitnodiging om hierheen te komen voor een conferentie. Omdat ik toch al naar Noord-Amerika zou vliegen voor Americana Fest in Nashville, besloot ik in te gaan op de uitnodiging en van de tussentijd een werkvakantie te maken. Bij het bestuderen van de kaart kwam ik erachter dat PEI de kleinste provincie van Canada is, en zo plantte ik bij mezelf het zaadje hier omheen te fietsen. 940 kilometer zou in vier dagen goed te doen moeten zijn op een easy tempo.

Dag 1 – Charlottetown – Alberton – 322 km
Mijn plan was dus om dit rondje in vier dagen te doen, zodat er genoeg tijd zou zijn voor sightseeing. Maar omdat ik licht bepakt ben, en geen slaapspullen heb, ben ik afhankelijk van accommodaties. Deze zijn helaas schaars in de uiteinden van het eiland. In het westen vind ik alleen wat in de buurt van Alberton, op meer dan 300 km. Om deze reden besluit ik om vroeg te vertrekken. Rond half zes zit ik op de fiets en de eerste kilometers leg ik in het donker af. Charlottetown slaapt nog, en ik heb de straten van de grootste plaats van het eiland voor mezelf.






Voor ik het weet ben ik de stad uit en rijd ik in het donker. Nauwelijks verlichting, alleen de verlichting van de stad, die steeds kleiner wordt. Charlottetown ligt in een baai, centraal in een soort van kruising van water. Dat betekent voor het eerste deel van de route een soort van zig-zag hieromheen. Eerst steek ik North River over, daarna West River. Erg fantasierijk zijn de namen niet. Gelukkig is het wel mooi, zelfs in het donker. Mooier wordt het als ik een klein stuk naar het oosten rijd en de zon opkomt. Vanaf Fairview tot Rocky Point begeef ik me op een lange rechte weg met “rolling hills”. Het lijkt eindeloos rechtdoor, maar telkens als ik omhoog ga zie ik delen van de zonsopkomst. Prachtig begin van de dag.
Na Rocky Point draai ik terug naar het westen met Hillsborough Bay links van me. De zon komt langzaam verder door maar dat gebeurt achter me. Op een paar punten stop ik even om ervan te genieten, want het is een mooi gezicht de zon te zien opkomen over het water.
De wind komt uit het westen, helaas precies waar ik naartoe moet en langzaam wen ik aan het landschap. Wat wil zeggen dat ik niet meer de behoefte heb om overal foto’s te maken. Het feit dat de zon wat hoger staat maakt het ook wat “normaler”. De kustweg naar het westen is relatief vlak, nergens poldervlak, maar het loopt lekker. Aan mijn linkhand zie ik meestal de zee, en rechts van me is het vasteland, dat soms wat hoger ligt dan de weg en op dit deel vooral bestaat uit landbouwgrond.




Gestaag rijd ik door. Echt snel gaat het niet, maar ik ben hier niet om de racen. Na een kilometer of zeventig kom ik in Victoria, een historisch havendorp. De haven wordt tegenwoordig vooral door vissers gebruikt en op de dokken bevinden zich restaurants. Het is een erg schattig dorpje en ik kijk mijn ogen kort uit. Kort, want het plaatsje kent nog geen tien straten.
Net voor Victoria zag ik hem al liggen: de Confederation Bridge. De brug die PEI sinds 1997 met het vasteland van Canada verbindt. Het is mijn volgende mikpunt. De brug is 12,9 kilometer lang en ik zie het imposante bouwwerk al kilometers van tevoren opdoemen. De brug start bij het plaatsje Borden-Carleton, een dorp dat volgens de “city sign” pas sinds 1995 bestaat. Ik vraag me af of dit met de bouw van de brug te maken heeft ,of dat door een gemeentelijke herindeling komt.
Wanneer ik de brug achter me heb gelaten rijd ik richting Summerside, de tweede stad van het eiland. Een plaatsnaam die mooi weer doet beloven, maar voor ik daar ben rijd ik door een mix van weilanden, bossen en kleine dorpjes. Ondertussen wordt het helaas eerder meer bewolkt dan dat er tekenen zijn van zomer. Het laatste stukje naar de stad moet ik helaas over de highway. Ik noem het bewust highway en niet snelweg want je mag hier met de fiets over de vluchtstrook rijden en het is niet te vergelijken met de drukte van de snelwegen zoals we die in Europa kennen, maar uiteraard rijd ik liever over rustigere wegen. Dan rijd ik Summerside in, ik besluit hier te stoppen en drinken aan te vullen, want ik weet dat er na deze plaats weinig mogelijkheden zullen komen. Het stadje zelf vind ik niet heel spectaculair, typisch Noord-Amerikaans. Groots opgezet, veel tankstations en fast food ketens op de in- en uitvoerwegen van de stad, en een relatief klein centrum. Ruim 115 kilometer staat er op de teller en ik stop bij een tankstation aan het uiteinde van de stad. Bijvullen voor de grote leegte.





Na Summerside wordt het zoals ik verwachtte direct stil. Ik kom op een eenzame weg door een moerasachtig gebied. Wel bebost, maar met een natte ondergrond. Heel groen, maar ergens ook eenzaam. Af en toe steek ik een kabbelend riviertje over dat de zee in stroomt, maar over het algemeen is er bebossing om mee heen. Dit duurt tot Union Corner, waar ik weer langs de kust kom te rijden. Ook hier is het rustig, maar er is weer wat bebouwing en doordat er vooral graslandschap is, kan ik verder vooruit kijken. Hoogtepunt van dit stuk route is Our Lady of Mount Carmel Catholic Parish Church, een kerk op de rand van een klif.
Kort na mijn stop bij de kerk van onze vrouw begint het te miezeren. Ik zag het al langzaam bewolkt worden maar regen had ik niet verwacht. Mijn route buigt gelukkig vanaf dit punt in noordelijke richting, wat betekent dat ik geen tegenwind meer heb. Goed kijkend naar de lucht vermoed ik dat ik met een tandje erbij droog kan blijven. En dit werkt! Althans, echt nat word ik niet en ik weiger dan ook om mijn regenjas te pakken, want het is warm genoeg.
Wat opvalt in dit gebied zijn de Arcadian vlaggen die mensen rondom hun huizen hebben hangen. Het is de Franse vlag met een ster erin en de uitleg is dat het een herinnering is aan het Franse erfgoed én het moederland van de Arcadians. Van oorsprong was PEI namelijk een Franse kolonie; ze werkten samen met de inheemse bevolking tot de Engelsen het overnamen en de alle Arcadians werden verbannen naar Louisianna, waar ze cajuns werden. Een stuk geschiedenis waar ik tot dit rondje eigenlijk niets van wist.




Ondertussen begeef ik me op lange rechte wegen naar het noorden. Met succes ontwijk ik de regen en er is genoeg tijd om na te denken over de prille geschiedenis en af en toe wat op te zoeken. Tot Mount Pleasant ben ik nagenoeg alleen op de weg. Vanaf daar volgt er helaas een stuk highway. Weinig boeiend en gedaan met de rust, maar dat zal snel terugkomen.
Het brengt me wel snel naar het meest westelijke deel van het eiland. Er staat bijna 190 kilometer op de teller voordat ik aan het dit deel begin. Er zijn twee dorpjes met meer dan duizend inwoners, te weten Alberton en Tignish. Ik verwacht dus een lang een eenzaam stuk. Dit deel begint dan ook meteen met een gravel trail, een stukje verharde weg, en daarna een dirt road. Allemaal prima te doen met de racefiets, maar het toont meteen hoe afgelegen dit is.
Na het gravel volgt een lange weg door het bos richting West Point. Het is een eiland, en ik volg de weg die zo dicht mogelijk op de kust ligt, maar toch zie ik de zee al kilometers lang niet. Ook bij West Point zie ik deze niet, want het dropje ligt aan een doodlopende straat richting zee en ik passeer het dus stilletjes.



West Point is wel het punt waar mijn route naar het noorden gaat, richting Nord Point. Weer een weinig fantasierijke naam, maar wel duidelijk. De wind lijkt gedraaid en op dit stuk krijg ik de wind in de rug. Het mooiste deel van de dag volgt hier. Het bos maakt plaats voor een kustweg en ik bevind me opeens op glooiende wegen langs de zee. Rode kliffen zijn de grens tussen land en zee. Deze moeten her en der afbrokkelen, want dicht op het land is de zee rood van kleur. Door de meewind zoef ik door het glooiende landschap. Her en der zijn er kleine dorpjes met huizen aan zee.
Voor ik het weet ben ik in Miminegash. Dit dorp heeft een winkeltje en hier hoop ik boodschappen te doen voor de avond. Ik word vriendelijk begroet door de eigenaar van de winkel, maar veel is er niet te krijgen. Ik had geen luxe verwacht, maar als vegetariër kom je er in dit land bekaaid vanaf. Het beste wat ik kan vinden voor avondeten zijn twee pakjes instant Mac and Cheese. Het lijkt me goor en ik twijfel nog tussen dit en de “beef flavored” noodles die ik kan eten zonder de “flavor” maar dat is het ook niet. Gelukkig kan ik wel genoeg repen bijvullen voor onderweg en morgenvroeg. Nadat afgerekend heb neem ik contact op met mijn B&B om mijn ETA door te geven. Had ik dit maar voor mijn inkopen gedaan want de host stuurde tien minuten voor het winkelen een berichtje met de vraag of ik mee zou willen eten. Wat een luxe. Natuurlijk wil ik dat. Ik stuur terug dat ik geen vlees maar wel vis eet en dat ik rond half acht aan denk te komen. De instant Mac & Cheese neem ik voor de zekerheid maar mee, wie weet is dit later nog hard nodig.









De kustweg vervolgt zich en het blijft mooi. Sterker nog, het wordt steeds mooier. De laatste vier kilometer voor North Point zijn gravel. Daar was ik me van bewust – hoe goed dit begaanbaar zou zijn was onduidelijk, maar ik wilde het proberen. Het blijkt een prachtig stuk te zijn. Eerst een stuk rode gravel langs de rode kliffen, later een soort van vlonder pad. Waarschijnlijk niet voor de fiets bedoeld maar voor wandelaars, maar er is toch niemand. Het wandelpad gaat dicht langs de afgronden, soms te spannend om te fietsen maar voortdurend goed voor een geweldig uitzicht over zee. Omdat het zo mooi is, is het prima om langzaam en risicoloos voortgang te maken. Ik ben er ongetwijfeld even mee bezig geweest, maar voor ik het weet ben ik bij North Point. Dit punt valt na het prachtige pad dat ik zojuist heb genomen eigenlijk tegen. Om de vuurtoren staan hekken, er is een grote parkeerplaats en een lange pier die het noordelijkste punt vormt.
Vanaf hier is het nog een uur of anderhalf fietsen naar Alberton, waar mijn accommodatie is. Alleen de meewind wordt nu tegenwind, maar omdat het zonnetje weer tevoorschijn komt is er eigenlijk weinig te klagen. Het zijn ook weer meer bossen dus heel hard staat de wind niet tegen. Wel komt het einde in zicht en begin ik me te verheugen op het avondeten. Terwijl de zon langzaam onder gaat kom ik dichterbij. Op plekken die open zijn kan ik genieten van de zonsondergang en nét voor het donker kom ik aan bij mijn accommodatie. Kildare Lodge, zo heet het. Het is een groepsaccommodatie voor liefhebbers van buitensport. Naast de accommodatie bieden ze ook fiets, kajak, en sup-verhuur aan voor groepen. Ik ben er deze nacht alleen, de deur is open, ik krijg een appje dat ik gerust mijn fietskleding mag wassen en dat het eten de koelkast staat. Na me geïnstalleerd te hebben vind ik twee kreeften, aardappels, en koolsalade in de koelkast waar ik me tegoed aan kan doen. Wat een hemels verblijf. Met gevulde maag en een schoon pakje naast me op de stoel val ik tevreden in slaap.







Dag 2 Alberton – Rollo 359 km
Wederom moet ik vroeg op en wederom vanwege de moeite die het me kost om accommodatie te vinden. De vier dagen die ik mezelf had gegeven voor deze tocht gaan er definitief drie worden want gisteravond heb ik een hotel geboekt in Rollo, wat ruim 350 kilometer verderop ligt. Ik word wakker uit een diepe slaap maar realiseer me dat ik een flinke dag voor de boeg heb dus doe wat ik normaal gesproken in een race doe. Efficiënt opstaan en ontbijten op de fiets. Niet helemaal zoals ik deze bikepacktrip voor ogen had, maar het deert me ook niet.
Voor ik het weet zit ik op de fiets en rijd ik door Alberton, de “grote” plaats van dit gebied. Hier is een tankstation, maar ik had er al geen rekening mee gehouden dat dit nu open zou zijn. Toch jammer, want een kop koffie – hoe smerig de tankstationkoffie hier ook is – had ik wel lekker gevonden. Ik doe het nu maar met een paar grote slokken Maurten en een haverkoek.



Voor het overgrote gedeelte dat ik door het donker rijd heb ik de weg wederom voor mezelf. Ik rijd op grote wegen wat het navigeren makkelijk maakt. Alleen het tegemoetkomend verkeer dat er af en toe is lijkt me totaal te negeren. Groot licht hoeft in dit land kennelijk niet uitgezet te worden voor fietsers. Ik doe mijn klak omlaag en kijk telkens naar de strepen op de grond als dit gebeurt.
Mijn route vandaag is eigenlijk heel simpel: van west naar oost de kust volgen. Ik hoop met mijn route naar het oosten op een mooie zonsopgang, maar het is helaas te bewolkt. Ik zie alleen steeds lichter wordende grijstinten en bevind me in een mix van landbouwgebied en bossen. Met honderd tinten grijs niet de meest sprankelende omgeving. Af en toe zie ik het water van Richmond Bay, maar echt dichtnij de kust kom ik zelden.
Inmiddels is het helemaal licht geworden en begin ik trek te krijgen. Ik heb zin in koffie en wat te eten, maar ik ben in een uitgestorven gebied heb en geen idee wanneer ik wat tegen ga komen. In tegenstelling tot gisteren heb ik dat voor vandaag niet uitgezocht. Reepjes heb ik nog genoeg en hierop kan ik als het moet nog uren voort, maar even wat anders eten en een kop koffie zou lekker zijn. Na een uur of wat hierover te hebben gefantaseerd kom ik in Tyne Valley een winkel tegen. Het assortiment is nét wat groter dan de convenient store van gisteren, maar daar is alles mee gezegd. Ik mag het doen met een lekkere slobberbak, iets dat voor kersentaart door moet gaan en een muffin. In de dining van deze winkel peuzel ik het op. Echt lekker is het niet, maar het vult de maag en wanneer ik weer verder rijd merk ik dat het me toch goed heeft gedaan.




Helaas begint het na mijn korte ontbijtstop te miezeren. In tegenstelling tot gisteren is het nu wel nodig om mijn regenjas aan te trekken. Beenstukken laat ik achterwege want echt koud is het niet. Het landschap is nog steeds dat van veel boerderijen, af en toe gaat de weg omlaag, richting een brug om een rivier over te steken, om dan weer op een glooiend plateau verder te gaan langs boerderijen of bossen. He lijkt op te klaren en de weg waait hier heel snel droog. Heel fijn, want niet veel later bevind ik me op een paar gravelwegen. Toch heb ik te vroeg gejuicht, het gravel heb ik gelukkig wel droog meegepakt, maar net na die stroken op het moment dat ik denk dat mijn regenjas wel uit kan wordt de miezer regen. Smerig weer.
Smerig weer is nooit goed voor vergezichten en mooie plaatjes, maar ik pak het mee op een van de meest inspiratieloze stukken van het eiland, namelijk rondom Summerside Airport. Rondom de tweede stad van het eiland is het druk en dat blijft het tot ongeveer Kensington. Op het moment dat het minder druk wordt klaart het ook op en wordt het landschap mooier. Als ik dan toch een stukje met regen moest kiezen dan maar hier, want het is een druilerig stukje om snel te vergeten.
Gelukkig klaart het op en kom ik aan de noordkant mooiere stukken eiland tegen. Rondom Cabot Provincial Park en New London Bay komt er meer glooiing in het landschap, wordt de kust weer zichtbaar en in vele kleine mini-baaitjes zijn prachtige havendropjes. De weg droogt door de wind snel op en ik ben de regen van weleer alweer vergeten. In Stanley Bridge kom ik een bakkerij tegen, ik koop een kaneelbroodje en koffie als lunch en neem een zwik aan koekjes meer voor on the go.









Het volgende dorp is Cavendish, hier win ik glansrijk de bordjessprint, maar voor ik aan juichen kan denken ben ik het dorp alweer uit. Hier had ik – mede vanwege een groots festival dat hier plaats vind – meer van verwacht. Wel zijn er diverse campings en dat is te begrijpen, want na het dorp kom ik in een soort van nationaal park door de duinen. Hier zijn witte stranden naast rode kliffen. Na dit duingebied volgt er weer wat gezigzag om een paar baaien om vervolgens bij Brackley Beach een nieuw duingebied binnen te rijden. Hier staat ook een van de karakteristieke vuurtorens die dit gebied kent. Het is hier prachtig en dit wordt door de doorbrekende zon nog even geaccentueerd. Helaas ben ik vergeten dat een aantal van de koekjes chocola hebben en wanneer ik hier naar grijp zitten mijn handen onder de plak. Door de zon zijn alle koekjes, die in mijn musette op mijn rug hangen, gesmolten en aan elkaar gekleefd. Toch liever een plakhand dan de regen van vanochtend.
Nadat ik de duingebieden achter me heb gelaten kom ik in een bebost gebied. Dit voelt na de duingebieden met toeristen opeens weer afgelegen. Zeker als ik hier nog op wat dirt roads terechtkom. Op een stuk tel ik drie kleuren gravel, eerst wit, dan rood en vervolgens grijs. Het contrast met de highway waar ik daarna op terechtkom is groot. De highway is in goede staat en de vluchtstrook redelijk schoon, maar het blijven de saaiste stukken van de rit. Het enige voordeel is dat het me door Morell stuurt waar een supermarkt is. Geen convenient store maar een echte supermarkt waar ook fruit verkocht wordt. Voor het eerst sinds mijn komst op dit eiland vind ik ander fruit dan appels en bananen. Helaas kan ik niet veel meenemen maar ik ben dolblij met een schaaltje frambozen. Ook stock ik verder op voor de rest van de dag en morgenvroeg, want hoe verder ik naar het oosten ga hoe dunner bevolkt het gaat worden, en de kans om nog eens boodschappen te kunnen doen gaat heel klein zijn.




Met een volle musette rijd ik verder. Over de highway naar St. Peters om vervolgens om de gelijknamige baai heen te fietsen. St. Peters is een schattig dorpje met een pittig klimmetje het dorp uit. Bovenop is dan wel met uitzicht op de baai. De zon schijnt erop en dit zorgt voor de zoveelste keer voor een prachtig beeld.
Nadat ik om de baai heen ben volgt een lang stuk naar het oostelijkste punt van het eiland. Links van me de zee, die in het begin van dit stuk af en toe zichtbaar is, rechts van me bossen. Het is een eenzame weg en als ook de zee niet meer zichtbaar is door bebossing wordt het saai. Af en toe kom ik een plaatsnaambordje tegen maar van een dorp is nooit te spreken. Er staan dan enkele huizen bij elkaar. Deze eenzaamheid heeft wel wat, eindeloos rechtdoor rijden wetende dat ergens het einde van het eiland is. Waar in de middag de zon scheen, trekt het nu weer dicht, dit onderstreept het uitgestorven gevoel. Zeker als er lichte miezer uit de wolken begint te vallen. Ondertussen gaat achter me de zon onder en ik ben bang dat wanneer het verder afkoelt de miezer regen wordt, dus voor de zekerheid doe ik mijn regenjas weer aan, maar gelukkig zet het niet echt door en lijkt het plaatselijk.
Na een kilometer of vijftig door dit eenzame stuk land te hebben gefietst kom ik bij North Lake. Het is pikdonker geworden, maar in de haven brand licht en het ziet er door het contrast van de uren hiervoor bijna feestelijk uit. Minder feestelijk is een Pipo die iets buiten deze havenplaats op me inrijdt. Op een tweebaansweg komt hij recht op mijn rijstrook op me af, en ik kan niets anders doen dan de berm in duiken om hem te ontwijken. Dit was zeker bewust, en ik kan niet bedenken waarom. Mijn lamp stond niet op een stand waarmee ik hem zou kunnen hebben verblind en er was alle ruimte.
Niet veel later kom ik bij East Point. Er is weinig van te zien in het donker dus ik vervolg mijn weg terug naar het westen. Op naar mijn hotel in Rollo. De regen en miezer waren al weg en in het donker valt me ineens op hoeveel sterren er zijn. Heldere lucht, denk ik, dan zal het wel droog blijven.





Het is nog ongeveer dertig kilometer fietsen naar Souris, de grote plaats in het oosten van het eiland, en niet veel verder ligt Rollo. Hoe dichter ik bij de stad kom hoe meer verkeer, en hier merk ik dat ik toch wat angstig ben geworden voor het Canadese verkeer door het voorval van een uur of wat geleden. De rolling hills zijn in het donker ook lastig in te schatten en het grote licht van tegenliggers dat ze voor fietsers kennelijk niet uit hoeven te zetten helpt niet mee. Het perspectief op de weg is opeens heel anders en ik rijd voor het eerst sinds jaren met weinig vertrouwen rond. Ik schat in dat het nog een of anderhalf uur rijden is, dus er zit maar een ding op en dat is doorrijden.
Wanneer ik in Souris aankom begint het uit het niets te stortregenen. Dit gebeurt wanneer ik tegenover een café sta en ik bedenk me geen twee keer en ga daar naar binnen. De regen blijkt nog even te duren en waar ik van plan was bij het hotel te eten – wat volgens de boeking website een optie was – verander ik mijn plan en bestel ik een pizza in de volle kroeg. Ik word wat raar aangekeken door de rest van de bargasten maar dat vind ik prima. Een van de bardames knoopt wel een gesprek met me aan en helpt me uit te zoeken hoe lang het nog regent met een lokale app. Wanneer ze vraagt waar ik vandaan kom zegt ze iets in een lokaal accent in de trant van OMG en ik moet er van binnen om gniffelen. Wanneer de pizza op is, is het opgeklaard en dus tijd om verder te gaan.
De weg is kletsnat maar wederom is het kraakhelder. Een intense plaatselijke bui dus. Het is wel ijskoud geworden en de laatste vijf kilometer leg ik klappertandend af. Bij het hotel word ik wel zeer aangenaam welkom geheten. Ik mag kiezen tussen een kamer op de begane grond of een luxere boven, de fiets mag mee de kamer op én ik krijg een pak mangosap mee voor op de kamer. Na een korte douche die me opwarmt valt ik als een blok in slaap.



Dag 3 Rollo – Charlottetown 259 km
Met nog maar een kleine 260 kilometer op de teller hoefde ik vandaag niet voor dag en dauw op. De wekker gaat rond 7:00, ik kan bananen pakken en wanneer ik uit het raam kijk zie ik de zon al schijnen. Hierdoor ga ik wel underdressed de deur uit. Door de regen van vannacht is het waterkoud en na nog geen kilometer gefietst te hebben stop ik al voor extra kleren en zelfs handschoenen.
De zon is er wel degelijk maar heeft nog niet de kracht me op te warmen. Wel schittert deze over het water van Rollo Bay en Fortune Bay. Ik ben nog geen 10 kilometer onderweg maar heb voortdurend de nijging af te stappen om foto’s te maken zo mooi is het.
Nadat ik om de baaien heen ben en ik weer naar het westen rijd met de zon op mijn rug bevind ik me in een boeren gebied. Graanlanden tussen de bossen. De baai moet in de buurt zijn maar is niet zichtbaar. De wind komt uit het westen, wat betekent dat dit een taai dagje gaat worden, want per saldo ga ik vooral die richting uit. Al gaat het eerste deel deze laatste etappe vooral om baaien heen en zal de richting voortdurend veranderen.






Na een mix van boerenland en bossen kom ik in Cardigan, een schattig dorpje dat door het hebben van een restaurant, haven, en garage als grotere plaats aanvoelt, maar in werkelijkheid niet meer dan vijf straten kent. Toch voelt het levendig om even weer in de bewoonde wereld te zijn. Acht kilometer verderop ligt Georgetown. Dit is een iets grotere plaats. Ik maak wat foto’s bij de haven en van de mooie houten huizen die dit dorp kent alvorens ik weer het niemandsland in trek.
Dit stuk bestaat uit een combinatie van trails en highway. Beide ongeveer even druk. Er zijn maar enkele auto’s op de weg en op de trails zijn aardig wat zaterdagse fietsers. Boomers op e-bikes voornamelijk. Her en der een brug met uitzicht over het water breekt de lange rechte wegen. Aan het einde van de trail ligt Montague, een plaatsje met veel bedrijvigheid. Overal zijn yard sales en zoals een Noord-Amerikaan betaamt ga je er met de auto heen. Na een hoop uitgestorven wegen weet ik me opeens in een file van koopjesjagers. Na het dorp is het weer rustig, al blijf ik me verbazen hoe veel yard sales er zijn. Ik vraag me af of dit een zaterdags ding is of dat er meer achter zit.








Ondertussen ben ik weer het grote niets ingereden. Ik moet nog om een grote baai heen. Het is vlak hier en het zonlicht schittert over de zee. Wanneer ik om de baai heen ben zie ik Nova Scotia aan de overkant van het water liggen. Dit is ook het punt waar ik naar het westen ga rijden, richting het eind-, of beginpunt. Het is in kilometers zo ver niet meer, maar een goede 100 kilometer met wind tegen en langzaam toch wel opgestapelde vermoeidheid betekent nog een flink aantal uren op de fiets.
De kustweg, die dezelfde naam draagt, is vrij eentonig. Landbouwvelden met boerderijen en relatief veel verkeer. Wederom verkeer voor yard sales en ik vraag me weer af wat hier gaande is. Ik begin sommige auto’s te herkennen. Er is een blauwe jeep die ik steeds inhaal bij een sale, en deze mij dan weer op de weg. Zo is er ook een truck met meubels waarvan de stapel steeds hoger wordt en een auto met twee meiden die me tot twee keer toe toeterend inhaalt. Leuke afleiding voor de tegenwind.
Bij Wood Islands gaat de boot naar Nova Scotia, hier is een grote vlooienmarkt bezig en na dit dorp kom ik op de highway one. Druk, en op sommige plekken is het wegdek aardig kapotgereden door vrachtauto’s. Ik heb nog genoeg eten om op thuis te komen, maar kan wel een kleine pauze gebruiken, dus ik stop bij een tankstation. Wanneer ik in de rij staat vraagt de vrouw voor me aan de pomphouder of ze een goede dag hebben met al die “yard salers”. Ik meng me meteen in het gesprek want ben benieuwd wat er gaande is en leer dat vandaag the 70 mile yard sale bezig is. Een belangrijk evenement voor de bevolking van dit deel van het eiland.





Na wat gegeten en gedronken te hebben vervolg ik mijn weg over highway one. Niet erg fijn, deze saaie drukke kilometers met tegenwind, maar het einde komt in zicht. Er is nog een gek lusje om een baai heen, maar dit is alleen maar heel fijn. Even van de snelweg af en nog een keer zicht op de rode kliffen. Na het lusje kom ik weer op de snelweg, maar gelukkig niet al te lang. Net voor Mount Mellick kan ik parallel aan de highway mijn weg vervolgen. Eerst een stukje gravel dat vlak langs het water loopt, en vanaf waar de ondergaande zon goed te zien is. Daarna op een doorgaande weg met de zonsondergang voor me.
De weg brengt me direct naar Stratford, wat een voorstad van Charlottetown is. Hier dwaal ik nog wat door woonwijken om zo dicht mogelijk op de rand te blijven. Dit is een beetje overbodig, maar geeft me nog wel de mogelijkheid om Charlottetown, dat aan de andere kant van het water ligt, bij zonsondergang te fotograferen.
Niet heel veel later bereik ik de brug naar de stad, aan het einde hiervan is het randje een feit en kan ik de kleinste Canadese provincie toevoegen aan mijn verzameling van “randjes”.


