Flanders Divide

Dwars Door Vlaanderen (Strava Link)

De langste nachten dit weekend. Het is bijna een traditie geworden om tijdens deze korte dagen een provinciegrens rond te rijden maar de spoeling is dun geworden. Daarbij wilde ik nog een testrit doen op de gravelfiets van minimaal twee dagen voor Race Around Rwanda en zo is mijn oog gevallen op de route van Flanders Divide.

Tijdens de filmpresentatie van Via Race ontstond het idee om de kortste dag van het jaar aan te grijpen om samen met Alex erop uit te gaan. Helaas moest hij van stag laten gaan en dus sta ik op dag één van de kerstvakantie in alle vroegte alleen op het donkere station van Maastricht. Vanuit hier vertrek ik om, zo onverhard mogelijk, dwars door Vlaanderen te fietsen.

Bij vertrek is Maastricht nog niet wakker en heb ik de straten voor mezelf. Hierdoor ben ik de stad snel uit en via het jaagpad naast de Zuid-Willemsvaart ben ik snel in België, waar de Hoge Kempen op me liggen te wachten.

Het natuurgebied ligt er prachtig bij. Langzaam wordt het licht, er hangt wat mist in de lucht en zit rijp op het gras. Het bos heb ik voor mezelf en ik spot herten. Wat een geweldig begin van deze tocht.

Voor de tijd van het jaar is het al dagen droog, maar in de bossen en op de velden ligt het op sommige plekken toch nat en is het daardoor soms modderig en glad. Ik kom er bij het eerste steile klimmetje direct achter dat het een pittige tocht kan gaan worden, want door de gladde modder slipt mijn achterwiel weg en voor ik het weet sta ik mijn fiets omhoog te duwen. En dit zijn pas de Kempen. De Vlaamse Ardennen moeten nog komen.

Wel krijg ik waar voor mijn geld, want bovenaan deze klim heb ik prachtig uitzicht over een meertje. De route gaat hieromheen, maar helaas is het vanwege boswerkzaamheden afgesloten. Mijn poging om er aan de andere kant toch bij te komen faalt, waardoor ik middels een gek lusje weer terugkom bij dit uitzichtpunt. Maar ik heb hierdoor wel twee keer het uitzicht.

De zaterdag lijkt begonnen, want verderop kom ik de eerste andere recreanten tegen. Het bos is niet meer voor mezelf maar dat maakt het niet minder mooi. De Hoge Kempen zijn geweldig, er is hoogteverschil en er zijn diverse meertjes. Een plek om te recreëren en dat blijkt, want iets verderop rijd ik een bungalowpark op. Het moet een foutje in de route zijn want het blijkt een op en neertje over het park met haar bijbehorende huisjes en families.

Na Hoge Kempen volgen de Lage Kempen. Eigenlijk is de Hoge Kempen een heel klein stukje binnen de Kempen en alles wat “lager ligt” de Lage Kempen. Het gebied strekt zich zo’n beetje uit over heel de provincie Limburg en zelfs stukjes van Vlaams- en Noord-Brabant. Het “fietsparadijs” volgens de borden die deze provincie heeft laten maken. En dat klopt. De fietspaden door de bossen zijn geweldig, maar gelukkig gaat deze route van de gebaande paden af en vind ik mezelf vooral op onverharde stukken door de bossen en velden. Dorpen kom ik zelden tegen, hooguit schamp ik ze, zoals bij Genk, waar ik naast het voetbalstadion rijd.

Het gebied is bosrijk, de wegen een combinatie van gravelpaden, ruiterpaden en af en toe een single track. Wat verder opvalt is dat er een hoop militaire terreinen zijn. De overgang van het ene naar het andere bos is vaak via wat weilanden. 

Vlak voor Balen is het balen. Daar ligt de weg eruit. Als fietser heb ik natuurlijk vakkundig het bordje “doorgang uitsluitend voor omwonenden” genegeerd. De eerste drassige stukken deden ook geen belletje rinkelen en dus ben ik doorgereden tot het punt waar de weg dermate onder water stond dat doorgang vinden onmogelijk was: balen.

Nadat ik het Albert Kanaal over ben en Tessenderlo voorbij ben kom ik in het Hageland. Ergens in de bossen hier, ik vermoed bij Okselaar, kom ik langs een soort boskerstmarkt. Het ziet er gezellig uit met al die lampjes, maar tijd voor een gluhwein maak ik niet. Iets verderop bij de abdij van Averbode hangt eenzelfde gezellige kerstsfeer. Vanaf hier komt er meer reliëf in het landschap. 

Bij Testelt verlaat ik de bossen en zal ik tot Aarschot het riviertje de Demel volgen. Soms langs jaagpaden, soms door weilanden. Hier begint het te schemeren en ik weet dat de langste nacht eraan zit te komen. Wetende dat Aarschot een van de weinig plaatsen is waar ik doorheen zal rijden besluit ik hier te stoppen om nog wat eten en drinken te halen voor de nacht. Wanneer ik verder wil rijden begint het helaas te miezeren dus ik besluit voor de zekerheid mijn regenjas aan te doen. 

De regen zet niet echt door maar van droge wegen is helaas geen sprake meer. Ondertussen is het ook donker geworden. Door het natte wegdek lijkt alles waar mijn koplamp op schijnt glad en ik moet wennen aan fietsen in het donker. Op de weg ken ik dit wel, maar onverhard is het moeilijker, want het inschatten van de ondergrond is een extra aspect. Maar dit is precies waarom ik deze rit wilde doen. 

Na Aarschot komen er een paar korte klimmetjes en ook zie ik de eerste kasseienstroken. Een ervan leidt het bos in maar het ligt hier zo nat dat ik besluit deze over te slaan. Het risico om tot mijn enkels in de modder te staan en hier nog 350 km mee te fietsen is te groot. Maar de route is de route, dus probeer ik het alsnog een afslag verderop. Hier kom ik een stuk verder. Het bos in lukt, maar door het water dat op het pad staat zie ik in eerste instantie niet waar ik heen moet en bevind ik me opeens op een weiland. Dat steek ik maar over om verderop de draad op te pikken. Helaas lukt dat niet, het weiland heeft een omheining die te groot is en het pad ligt 10 meter lager. Er zit niets anders op dan terug te gaan en verderop de route op te pakken. Ironisch genoeg heet het stroompje dat de paden heeft doen vollopen de “Droge Beek”.

Gelukkig mag ik hierna hogerop en komt er een volgend bos met wat klimmetjes. Wanneer ik het bos uit rijd zie ik iemand staan op de kruising. Ik ben bang dat ik deze persoon verblind met mijn lampen en verminder vaart. Op de kruising stop ik en zie dat het een oudere dame is. Ze vraagt bezorgt: “zeg, zijt ge zoek geraakt of wa?”. Ik vertel dat ik uit Maastricht kom en weet waar ik mee bezig ben. “En moet ge dan nie eten”. Ik leg uit dat ik voldoende mee heb en terwijl ze met een verwarde blik nakijkt vervolg ik mijn weg.

Rondom Leuven kom ik in het gebied van de Brabantse Pijl. Dit betekent klimmetjes. Ook die zijn in het donker lastiger, want het is moeilijker in te schatten wat de beste lijn is. Tot overmaat van ramp kan ik mijn lichtste paar versnellingen niet meer gebruiken. Wat er mis is zie ik niet maar de casette slaat over op de grootste paar tandwiellen. Soms moet ik hierdoor kleine stukjes lopen, maar over het algemeen lukt het om met wat harder stampen boven te komen. En boven betekent in dit gebied vaak uitzicht. Zo zie ik onder andere Leuven oplichten in het donker.

Leuven laat ik achter me en Nationaal Park Brabantse Wouden wordt het volgende gebied dat ik aandoe. Hoge bomen, lange paden over heuvels is hoe ik erop terugkijk. Benieuwd hoe dit met daglicht is.

Na dit Nationaal Park rijd ik via Neerijse, Vossem en het stadspark van Tervuren een volgend bos in. Het zijn lange stukken bos. Af en toe moet ik een N-weg of snelweg over en ik weet dat buiten de bossen de voorsteden van Brussel liggen. Hierdoor krijg ik het gevoel dat ten zuiden van de Belgische hoofdstad een groot park ligt. 

Het lijkt eeuwig te duren, dit komt vooral doordat mijn hotel in Waterloo dichterbij komt. Toen Alex afhaakte heb ik besloten halverwege een hotel te boeken in plaats van deze tocht in one go te doen. Twee dagen 250 km plus op onverharde wegen rijden lijkt me zwaar genoeg.

Als ik het bos eindelijk uit ben kom ik in Waterloo, maar de route gaat zo onverhard mogelijk. Dit resulteert in een smerige modderstrook vlak voor het hotel. Een paar keer moet ik van de fiets om niet uit te glijden en ik stap nog even flink in de drek. In Waterloo heb ik nog vijf minuten om snel via een nachtwinkel te gaan en net na twaalven loop ik bemodderd maar bewapend met nog wat snacks het hotel binnen. De receptionist is erg vriendelijk en wonder boven wonder mag ik mijn smerige fiets mee naar de kamer nemen. Ibis budget is wat dat betreft altijd waar voor het geld. Minder zijn de kussens die naar nicotine ruiken.

Wanneer ik beneden kom is de nachtportier nog bezig. Hij vraagt wat ik dan wel niet ga doen en is onder de indruk van mijn plan. Terloops zeg ik dat er wel wat modder in de kamer is achtergebleven maar hij wuift dat weg en wenst me een goede reis. Zo begint dag twee goed en terwijl ik de prefab chocolade croissants van de nachtwinkel wegwerk rol ik door Waterloo.

Maar Waterloo uit is altijd lastig, zo hebben er in de geschiedenis meer ondervonden. Na een modderstrook die de wielen lekker vol maakt volgt eerst een afdaling met kasseien en vervolgens een klim. Beiden liggen er zeer slecht bij. Ofwel het heeft vannacht nog wat geregend of het is dauw, maar glad zijn ze en recht liggen ze al decennia lang niet meer. Lastig, maar mijn Waterloo ligt niet hier.

Hierna volgt een stuk door het bos van Halle, om daarna in het bijbehorende stadje uit te komen. Hier wordt het langzaam licht. In de heuvels verderop heb ik eindelijk aanspraak. Ik rijd door een weiland en word opeens achterna gezeten. Ik schrik, stop en kijk opeens in het gezicht van een ezel die aan de andere kant van de omheining de oren van mijn kop balkt. 

Het volgende gebied dat ik aandoe is Pajottenland. Volgens Wikipedia is het een “zachtheuvelende, vruchtbare, agrarische streek”. Ik kan het alleen maar beamen. Want weinig bos en veel akkers, glooiend, en mijn wiel zakte meerdere malen diep in de zachte grond weg. Op de zelfde webpagina wordt ook gerept over het Toscane van de Lage Landen. Daar kan ik me minder in vinden want modder voelt anders aan dan de Strada Bianchi. Lelijk is dit gebied allerminst dus het verder ontdekken lijkt me wat voor de toekomst.

Vanuit Pajottenland rol ik de Vlaamse Ardennen in. Nou ja rollen. Het eerste wapenfeit is de Bosberg, de bekende klim uit de ronde, maar dan vanaf de MTB kant. Voor mij te modderig en te glad om te fietsen en het wordt een hike a bike. Wanneer ik omkijk en achter me een fit oogende mountainbiker hetzelfde zie doen weet ik dat het niet alleen aan mijn skillset ligt. Gelukkig is het stuk door de Vlaamse Ardennen nog lang en komen er nog wat kansen aan. Nadeel is wel dat mijn paar lichtste verzetten nog steeds niet werken.

De hele ochtend is het druilerig maar op het moment dat ik bij de Kapelmuur in Geraardsbergen kom begint de zon te schijnen. Dit kan geen toeval zijn. 

Ik vervolg mijn weg door de Vlaamse Ardennen maar vrienden word ik er vandaag niet mee. Op te veel stukken is simpelweg niet te fietsen en op een paar stukken mag je niet fietsen. Dat eerste resulteert in modderwandelen, het tweede in omrijden omdat mijn fiets niet door de klaphekjes kan. Om tijd terug te winnen besluit ik het lusje naar Oudenaarde te skippen. Ik wil vanavond de laatste trein in Oostende halen en als ik nog drie, vier keer van de fiets moet gaat dit een moeilijk verhaal worden. 

Het snijden geeft wat lucht, maar het is nog niet gedaan met het klinkwerk. Gelukkig maar, want hier ben ik voor gekomen. Er volgen nog wat Ardennenklimmen maar steeds net van een andere, vaak onverharde, kant. 

Wanneer ik na een lange afdaling in Berchem kom en de Schelde oversteek is het gedaan met het klimmen. Het jaagpad langs de Schelde geeft even wat lucht. Ik eet wat, maar wanneer ik verder naar het westen ga en ik de heuvels kleiner zie worden vind ik het toch jammer dat dit deel over is. 

West-Vlaanderen, waar ik nu ben, is wat dat betreft saai. Tot ver voorbij Waregem zit er weinig gravel in de route. Het feit dat ik over het terrein van een golfclub en paardrijvereniging gestuurd wordt zegt genoeg. Ook het toevoegen van een stadspark maakt het wat gekunsteld. Het is zoeken naar dat wat onverhard is op dit deel. Voordeel is wel dat de snelheid omhoog gaat en ik me geen zorgen meer hoef te maken over de trein. 

Ondertussen wordt het langzaam donker en rondom Aalter komen er weer meer onverharde stukken. De weilanden maken zelfs plaats voor wat stukken bos en er is ook nog een mooie singletrack vlakbij Oostkamp. 

Bij Jabbeke begin ik af te tellen. Oostende stond hier in de buurt namelijk op de borden. Het einde is in zicht en waar je de meet ook legt, de laatste loodjes zijn vaak het zwaarst. Parcours-technisch gebeurt er niet veel spannends meer, maar mijn gedachten zijn bij een warme treincoupé en de vraag of ik nog wat te eten kan vinden. 

Ruim voor de laatste trein kom ik aan in Oostende. Ik rijd door tot op de pier maak een foto en Flanders Divide is een feit.

——

Note: voor wie deze route ook wilt fietsen, ik heb deze van het online internet omdat ik weinig ervaring heb met waar je wel en niet mag fietsen. Ik houd me het liefst aan de regels en wil niet daar fietsen waar het niet mag. In deze route zaten veel plekken die verboden waren voor fietsers. Hier heb ik me aan gehouden waar het kon maar in het donker zal ik ongetwijfeld fouten hebben gemaakt. Wil je deze route kopiëren kijk hem dan goed na. Ik ga hierom voortaan minder vertrouwen op online routes en zelf bouwen. Sowieso leuker!

2 gedachten over “Flanders Divide

  1. Leuk verslag! Kon je wel alle militaire terreinen over? Wij kwamen destijds een verbodsbord tegen. Wij hadden de ervaring dat sommige stukken niet te doen waren (sept ’24) ivm natte bende.

    Mooie training, klasse gedaan!

    Like

Plaats een reactie