Dag 10 – Skjåk – Volda, Finish (Strava Link)
Ondanks dat de wekker slechts anderhalf uur nadat ik ben gaan liggen gaat, ben ik voor het alarm wakker. Mijn hoofd zit volledig in race modus, ik droom erover, en schrik wakker. Zonder enige twijfel spring ik uit bed om mijn natte kloffie aan te doen. Het voelt vies, maar ik weet ook dat dit de laatste etappe is. Even door het natte pak heen bijten dus. Ik sneak het hotel uit en tot mijn grote opluchting is het droog. Heel erg prettig, want direct achter het hotel begint een gravelstrook naar Gate 8. Dit is de oude weg van het plateau richting Stryn. Inmiddels is er een tunnel voor het snelle verkeer gebouwd, maar deze is voor fietsers verboden. Ondanks dat het droog is, is het grijs en het daglicht nog niet helemaal doorgebroken. De uitzichten schijnen prachtig te zijn, maar ik ben hier op het verkeerde moment van de dag en allang blij dat het op dit moment niet regent. De gravelweg is ruim twintig kilometer lang, slechts 250 hoogtemeters zijn er nog af te leggen. Niet heel moeilijk, al plakt de fiets door de nattigheid wat aan de weg. Terwijl ik voortga en mijn fiets grijsbruin wordt van de gravel, eet ik een pak lefsa op als ontbijt.
Gate 8 draagt de naam Strynefjellsveg, maar eigenlijk is dat de gravelweg en ligt de gate op het einde hiervan. De verharde weg begint, en de op een na laatste gate is binnen. Op naar Vestkapp, voor mij de laatste gate voor de finish.

Er volgt een lange afdaling, het is koud, maar het doet me niets, ik ben gefocust en denk alleen maar aan voortgang maken. In de afdaling gaat dat gelukkig zonder al te veel kracht. Bibberend kom ik beneden, maar zodra ik weer kracht op de pedalen moet zetten om gang te maken ebt dat weg.
Een blik op de tracker leert me dat Lucas de ferry bij Molde heeft gehad en progressie maakt. Hij moet nog een paar overtochten maken, maar overdag is alles in de vaart. Eén keer zal ik moeten stoppen vandaag om extra eten te kopen, verder moet ik blijven fietsen. Of ik echt een voorsprong heb is moeilijk te bepalen, omdat we beiden een andere route hebben, dus mijn gedachte is: hoe meer progressie ik maak, hoe meer ik Lucas zal demotiveren. Daarbij is er na de Vestkapp nog een ferry richting de finish die niet de hele nacht zal gaan. Normaal gesproken moet ik die halen. Er is een plan B en C, maar deze bevatten dermate veel extra kilometers dat ik het daar niet op aan wil laten komen.
De route naar Vestkapp is nagenoeg vlak. Er zijn wat klimmen, maar niet meer naar hoogtes boven de 500 meter. Goed voor de voortgang.
Bij Stryn, de grotere plaats in dit dal, ben ik te vroeg om eten te vinden. Het is zondag, dus dit gaat sowieso een opgave worden. Mijn voornemen is dat zodra ik ook maar iets vind stop ik. Voorlopig kan ik nog wel voort op winegums en een paar laatste repen, maar ik heb niet genoeg om het eind van de dag te halen.


Na Stryn begint het te regenen, eerst miezer, vervolgens druppels. Regen die de hele dag zal aanhouden. Ook dit doet me weinig. Wanneer het miezert, hou ik me voor dat Lucas, die dichter op de oceaan zit, het vast erger heeft en in de regen fietst, en wanneer de miezer regen wordt, bedenk ik dat Lucas er ook nog windvlagen bij heeft. Aan de oceaan moet het immers erger zijn dan aan de fjord, zo werkt dat in mijn hoofd, op dit moment. Die derde plek is voor mij en de enige manier om uit de regen te komen is door te finishen. Ook al gaat dat pas over uren gebeuren.
Met deze mindset fiets ik voort. Er volgt een klim van een kilometer of zes. Niets bij wat ik al gehad heb en ik blijf op de pedalen drukken om hier zo snel mogelijk vanaf te zijn. In het volgende dal zie ik een meer en ik kijk op de kaart. Daaruit blijkt dat Nordfjordeid de enige grotere plaats is waar ik langs kom en ik zal hier mijn boodschappen moeten doen. De supermarkten die ik bij binnenkomst van het plaatsje tegenkom zijn dicht en ik begin een vermoeden te krijgen dat resupply moeilijk gaat worden. Mijn plan is om na het dorp mijn reepjes te tellen en op een soort van rantsoen te gaan. Hier komt het niet van, want aan het eind van het dorp vind ik een tankstation. Ze hebben hier niet exact wat ik voor ogen heb, maar op pakken koekjes en snoepjes kom je een heel eind. Denkend aan Sam, “full sugar, baby”, klok ik nog een colaatje weg.
Na deze korte stop bevind ik me weer in de regen. Na Nordfjordeid volg ik een fjord en ik voel dat naast de regen ook de wind is aangetrokken. In Noorwegen heb ik al veel regen gehad, maar dit is de natste dag tot nog toe. Wellicht door de lengte van de rit wel mijn natste dag op de fiets ooit. Lekker is het allerminst. Mijn telefoon durf ik niet aan te raken, deze moet ik sparen van de regen, dus ik heb geen idee waar Lucas zit. Mijn gevoel zegt dat ik voor lig op hem. Als het dicht bij elkaar zit is er nog altijd de kans dat we dezelfde ferry richting de finish hebben en daar wil ik het niet op aan laten komen. Ik word wel eens ‘het sprintkanon’ genoemd, maar iedereen weet dat dat cynisch is. Om die reden blijf ik pushen en gefocust en dat maakt de regen ook aanzienlijk minder erg. Het is nog uren fietsen, maar zolang ik dit gevoel vasthoud, blijft de regen dragelijk.



Ondertussen ben ik op het punt waar mijn route van de fjord af gaat, naar het noorden. Nog één klim en dan volgt, net ten zuiden van Åheim, het op- en neertje naar Vestkapp. Dit is een stuk van net iets minder dan 50 km naar de laatste gate. Het volgt een volgende fjord richting het westelijkste punt van Noorwegen aan de Atlantische Oceaan. Het gaat op en af, soms met een kort, steil, venijnig stukje, maar over het algemeen rolling hills. In Leikanger, het enige dorpje dat ik tegenkom, gaat mijn route landinwaarts. Er volgt een steile klim landinwaarts, die nog moeilijker wordt gemaakt door een dot zijwind. Hier word ik ingehaald door Brent, een Noorse deelnemer van de adventure race. Hij groet me en zegt door te willen pushen omdat hij het koud heeft. Binnen no-time is hij uit het zicht.
Na dit eerste “hupsje”, het is immers maar naar 200hm, volgt een korte afdaling om te gaan beginnen aan de klim naar Gate 16, Vestkapp. Dit is van zeeniveau naar pakweg 470 meter. De klim begint met wat bochten. Dat is fijn, want dit geeft beschutting tegen de zijwind. Helaas is het bochtige gedeelte maar kort. Het grootste deel over deze kale berg gaat via een smal pad dat alleen maar rechtdoor gaat. In de verte zie ik Brent rijden en ook zie ik een touringcar omlaag komen. Dat dit past op deze smalle weg. Op het moment dat de touringcar bij mij is, is er gelukkig een breder stuk waar we elkaar kunnen passeren. Op het moment dat dat gebeurd is en de wind, die deze bus voor me weghield, terugkomt, word ik bijna van mijn fiets geblazen. Nog geen 500hm, maar door de steilheid en de rukwinden is deze klim een rotding.
Boven gekomen maak ik snel een selfie en maak me op voor de afdaling. Wanneer ik die inga, is het wonderbaarlijk een minuut of vijf droog. Er komt een zeer zeldzaam zonnetje door, waardoor ik heel even uitzicht heb op de Atlantische Oceaan. Mijn telefoon heb ik alweer opgeborgen, in de afdaling een foto maken is bovendien te gevaarlijk en tijd om te stoppen wil ik niet nemen.

Lucas heb ik op dit op- en neertje niet gezien, dus mijn conclusie is dat ik voor hem zit. Hoe ver hij achter me zit weet ik niet. De moeite om op de tracker te kijken heb ik niet genomen. Daarbij vind ik de gedachte dat hij me op de hielen zit wel lekker, want dit houdt me scherp. Voorzichtig, want ik heb enige angst voor de rukwinden, daal ik af. Beneden zie ik dat Brent, die inmiddels ook op en neer is gegaan, bij een kleine supermarkt naar binnen is gegaan. Er is dus toch nog een mogelijkheid voor extra eten, maar ik heb dit niet nodig. Ik wil alleen maar zoveel mogelijk meters maken. Elke meter telt dubbel, want ik ga ervan uit dat ik Lucas nog tegen zal komen. Hoe later ik hem zie, hoe meer ik hem demotiveer.
Het “hupsje” dat volgt terug naar Leikanger is vanaf deze kant een stuk makkelijker, misschien omdat het minder steil is dan vanaf de andere kant, maar zeker omdat de schuine zijwind nu iets meer in mijn rug staat. In Leikanger ga ik rekenen. Meer dan een uur heb ik erover gedaan om naar de top te komen, terug was ook niet heel snel, dus op dat punt heb ik al 1,5 tot 2 uur voorsprong. Dat is een goede marge, maar als Lucas sneller fietst en ik pech heb bij de pont, ben ik nog niet zeker. Voordeel is dat Lucas nog niet in zicht is en dat mijn voorsprong dus groter moet zijn dan dit. Terug op de weg langs de fjord blijf ik trappen wat ik kan. Bij elke kruising waar een bordje staat met een indicatie van het aantal kilometers naar Vestkapp ga ik rekenen. Het ziet er steeds beter uit, maar ik ben er nog steeds niet gerust op.
Ongeveer 30 kilometer vanaf Vestkapp kom ik Lucas tegen. Dat betekent een marge van 60 kilometer met daarin een pittige klim. We stoppen allebei en maken een praatje. Lucas zit er duidelijk doorheen. Hij zegt iets van “this day”, doelend op de regen. Ik reageer wat koeltjes en zeg iets in de trant van “the wettest day on the bike ever” en onze wegen splitsen. Weer ga ik rekenen en mijn marge moet groot genoeg zijn, ook het halen van de ferry vandaag moet geen enkel probleem zijn. Om die reden had ik route plan A al aangezet op mijn Wahoo.
Vanaf Åheim is het nog ruim 60 kilometer tot de finish. Het zijn lange kilometers, het regent, het is grijs en de route langs de fjorden is alleraardigst, maar ik weet nu wel hoe het zit. Ik begin verveeld te raken nu ik in mijn achterhoofd weet dat ik deze derde plaats niet meer uit handen zal geven, mits ik op de fiets blijf zitten en geen mechanicals krijg. Dit zijn de vervelendste momenten van de race, het uitrijden naar de finish. Om dat te doorbreken prent ik me maar in dat ik de ferry wellicht toch niet halen kan en dat Lucas toneel aan het spelen was. “Wat als”, prent ik in mijn hoofd en ik geef nog wat gas bij. Mezelf voor de gek houden lukt alleen bij tijd en wijlen. Een paar kilometer lang heb ik focus, vervolgens zijn er weer een aantal kilometers waarin de ferry uitzichtloos ver weg lijkt.


Wanneer ik daadwerkelijk dichterbij kom, ga ik racen voor de ferry. Wanneer ik een tegemoetkomende auto zie, maak ik er van dat ik de pont net halen kan. Hoe laat de ferry echt gaat weet ik niet, het enige dat ik weet is dat er nog een paar gaan voor het einde van de dag. Het regent en ik weiger mijn telefoon te pakken, maar dit spelletje houd me mentaal bezig. Bij aankomst in Lauvstad, wat slechts een straat is met een op zondag gesloten winkel en de pier van de boot, blijk ik te moeten wachten. Te vroeg voor de ferry klinkt beter dan te laat en ik wacht netjes af.
Niet lang na mijn aankomst in het haventje komt de ferry aan. Deze blijkt echter nog een pauze van een half uur te hebben, maar ik mag de ferry op om daar warm te worden. Ook voegt Brent zich bij me. Heerlijk om een metgezel te hebben die ook naar de overkant moet. We kletsen over de race, trek mijn laatste paar schone sokken aan voor de laatste 5 kilometer.




📸 (all) Sophie Gateau
Bij aankomst aan de overkant in Volda moet ik naar buiten, de kou in. Bibberend ga ik de loopplank af naar het stadje. Een warm welkom krijg ik wel van Sophie en Ian die foto’s maken. Brent heeft geen navigatie meer en volgt mij richting de finish. Samen klimmen we het stadje uit en bijna maak ik nog de fout om een verboden weg op te rijden onder toeziend oog van de organisatie. Op tijd herstel ik me, de busbaan zag er namelijk uit als een fietspad. De laatste kilometers rijden we samen naar de finish, maar Brent is zo aardig om net voor de meet mij voor te laten gaan.
Onder luid applaus kom ik als derde finisher binnen. Ik omhels Francien, Sam geeft me een fles bubbels uit Australië. Ik feliciteer Adam en Bruno met hun race, er wordt een podiumfoto gemaakt en ik word een soort van geleefd. Mijn fiets wordt netjes weggezet, ik word onder de douche gezet en voor ik het door heb zit ik met een bordje pasta in de woonkamer met allemaal vrienden en bekenden om me heen warm te worden.






📸 1, 2, 3 & 4 George Cherry
📸 5 &. 6 Sophie Gateau
De trilogie is ten einde. Van Cartagena naar Giovinazzo, van Giovinazzo naar Amerongen en van Amerongen naar Volda. In drie jaar heb ik veel nieuwe mensen leren kennen, plekken van Europa ontdekt waar ik anders wellicht nooit was gekomen en talloze nieuwe vrienden gemaakt. Drie races en elk jaar met een hogere ranking. In het laatste deel zelfs het podium en bovendien denk ik dat ik mijn beste race ooit heb gereden. Via Race, je was geweldig.

