Via Race – Etappe 6

Dag 6 Botn – Skarvheim (Strava Link)

Na een paar uur slapen word ik wakker in de refuge. Naakt, want mijn kleren zitten nog in de was. De sprei waarin ik gisteren naar mijn kamer ben gegaan, ligt nog naast me en hiermee ga ik naar de algemene ruimte waar de was moet liggen. Deze is er nog niet. Ik loop terug naar mijn kamer en op dat moment krijg ik een appje van James dat hij de was aan het pakken is. De rest van mijn spullen zoek ik vast bij elkaar. Omdat mijn fiets niet op de kamer staat, ligt het niet allemaal op de manier die ik mezelf heb aangeleerd en dat is verwarrend. Mijn efficiëntie is wat weg, maar in ruil hiervoor heb ik wel zometeen schone en droge kleren en een opgeladen Di2. Ik kleed me aan en vind het heerlijk om geen klamme, stramme kleding aan te hoeven. Terwijl ik me aankleed, prop ik wat lefsa naar binnen als ontbijt. Iets na vijven zit ik op de fiets, maar ik vergeet bijna mijn zadeltas.

Geen fijne start, chaotisch, maar als ik eenmaal rijd, kom ik tot rust. Lucas, die al lag te slapen voor ik hier aankwam, is al vertrokken en Gert Jan ligt nog te slapen. Vanaf de refuge loopt de weg over een kilometer of 30 op van 800 meter naar 1150 meter. Nergens steil, alleen op het eind, waar ik om een tunnel heen moet rijden, maar dit is eigenlijk een feestje, want ondanks dat het grijs is, is er een fantastisch uitzicht. Helaas duurt dit niet lang, want op het hoogtepunt merk ik dat de grijze lucht uit het volgende dal komt en dat ik volop de regen in zal rijden. Hoe verder ik afdaal, hoe natter het wordt.

Het is guur en eigenlijk ben ik niet goed gekleed. In het dal, net voor de volgende klim, zie ik een hotel. Ik besluit hier een bak koffie te bestellen en de warme omgeving te gebruiken om me goed aan te kleden. Met warme koffie in de maag, overschoenen en de juiste handschoenen aan, ga ik de volgende pas over. “Fijn”, denk ik, “net schone kleren en nu alweer een nat pak”. Gelukkig word je van klimmen in de regen minder nat dan van afdalen, maar aan deze klim komt een einde en dat betekent het begin van een afdaling. De afdaling gaat door een soort van kloof, is lang en op sommige plekken, waar fietsers niet door tunnels mogen, technisch. Met mooi weer waarschijnlijk prachtig, maar nu ik koud en bibberend op de fiets zit, valt er weinig te genieten.

Beneden aangekomen in Odda stop ik bij een tankstation om het weer te checken. Het lijkt aan het eind van het dal op te klaren en aan die gedachte houd ik me maar vast. De komende kilometers zijn Noors vlak. Odda ligt aan een lange fjord en de weg vooruit is langs dit hele stuk water. Ik zie opklaringen verderop, en terwijl ik mezelf voorhoud dat het wel beter wordt, blijf ik door de regen fietsen. Af en toe is het droog, nu zijn het buien in plaats van de hele dag regen. Wel geeft het hoop.

Doordat het bijna zeventig kilometer lang bijna vlak is, schieten de kilometers op, maar door de regen ben ik weinig bezig met de omgeving. Het water met de bergen op de achtergrond wennen snel als omgevingsbeeld en van dit stuk staat me vooral de Hardangerbrua, een indrukwekkende brug, bij. Wanneer ik in de buurt van Eidfjord ben, stop ik voor boodschappen. Deze plaats had ik gemarkeerd als laatste grote plaats voor een lang stuk leegte. De timing is goed, maar waar ik hoop had op beter weer, begint het een partij te sauzen op het moment dat ik de supermarkt in loop. Mijn efficiëntie bij dit soort stops kan enorm zijn, maar daar zie ik nu even geen nut van. Rustig zoek ik mijn spullen bij elkaar, ik koop wat snacks en drankjes die ik direct nuttig en treuzel wat. Het werkt, want op het moment dat ik uitgelanterfant ben en ik vind dat er toch gereden moet worden, is de ernstigste regen weg.

Op naar Vøringsfossen, Gate 5. Een lange klim langs veel tunnels en kloven. Terwijl ik omhoog ga, trekt de regen even weg en warm ik lekker op. Nat blijf ik, maar ik heb er geen last meer van. Een aantal stukken van de klim zijn afgesloten, maar ik zie dat de hekken openstaan en weet dat de tunnels verboden zijn voor fietsers. Dit betekent dat ik een paar keer moet lopen en mijn fiets over rotsstukken moet tillen, maar het is de enige weg. Naarmate ik hoger kom, zie ik meer en meer watervallen. De kloof waar ik doorheen fiets is prachtig en hoe hoger ik kom, hoe meer er te zien is. De weg slingert alle kanten op, haarspeldbochten, spiralen. Het gaat gelukkig langzaam genoeg om niet dol te worden.

Vøringsfossen is waarschijnlijk fantastisch om te zien, maar omdat dit het enige droge moment van de dag is, staat het er vol met toeristen. Achteraf gezien wellicht de drukste plek van heel Noorwegen. Op het uitkijkpunt en bij de gate maak ik snel een selfie. Op de achtergrond weinig waterval te zien, die moeite neem ik niet, ik wil hier weg uit de drukte. Daar hoef ik gelukkig niet heel ver weg voor te gaan. Mijn route gaat verder de berg op. De toeristen gaan veelal terug de fjord in. En niet alleen de toeristen, ook andere rijders doen dit. Vanaf Gate 4 is de keuze voor de volgorde waarin de rest van de checkpoints wordt aangedaan vrij. Adam en Bruno, die op plek een en twee rijden, zijn terug het dal in gegaan, en Lucas en ik, die plek drie en vier bezetten, pakken de route verder de berg over. Wat het snelste, beste of een tactische meesterzet is, is nog onduidelijk.

Voorlopig moet ik in elk geval nog een stuk klimmen, het eerste stuk tot de gate was het zwaarst, het volgende stuk niet meer. Het loopt op, maar het is wederom een groot plateau. Een kaal landschap met rotsen, meren en grassen. Ik bevind me op de snelweg die er overheen loopt en maak mijn meters. Het gaat vooruit, maar er is weinig te beleven. Totdat het zwart wordt. De grijze lucht wordt zwarte lucht en al het water dat in de lucht hangt lijkt in één keer naar beneden te komen. Ik kan geen kant op, dus blijf fietsen, maar binnen no time ben ik aan het rillen als een rietje. Alle energie die ik heb lijkt zich naar mijn kaken te begeven en klappertanden is wat ik doe. De snelheid gaat eruit en de uitzichtloosheid wordt groot. Stoppen is geen optie, want er is hier niets, dus peddel ik voort. Na een minuut of twintig zie ik lampjes in het donkere landschap. Het is midden op de dag donker, wat een heel vreemde gewaarwording is. De lampjes komen dichterbij en het blijkt een hotel. Zonder te twijfelen stop ik. Zet mijn fiets in het halletje en vraag of ik op mag warmen. De aardige herbergier brengt me meteen naar de kelder waar schoenendrogers staan en zet een kachel aan waar ik mijn kleren kan drogen. Terug boven biedt hij me een handdoek aan en legt uit waar ik kan douchen. Dat is terug buiten, dus ik besluit in plaats van een douche met een bak koffie op te warmen bij de open haard. Een goede keuze, want hierdoor kan ik naar buiten kijken en ik zie dat ik met de bui mee aan het fietsen was. De regen trekt voorbij en wanneer ik zie dat het opklaart, pak ik direct mijn spullen op om verder te trekken. De herbergier kijkt me vreemd aan, hij snapt er geen snars van dat ik besluit verder te gaan, want mijn kleding is natuurlijk nog lang niet droog na een kwartiertje voor de kachel. Maar ik zit in een race en afzien hoort erbij als je voorin wilt eindigen.

De koffie en de open haard hebben me in elk geval genoeg opgewarmd om niet meer bibberend op de fiets te zitten. Warm heb ik het nog niet, maar de ellende waar ik zojuist in zat is weg. Nog een tijdje zal ik op het plateau blijven om daarna een kilometer of honderd te gaan afdalen. Van 1200 meter terug naar 300, maar dat over deze lange afstand. Vals plat omlaag. Dat is ideaal, de snelheid blijft er zo redelijk goed in, maar ik moet het hele stuk trappen, dus het is geen afdaling waarin ik verder zal afkoelen. Sterker nog, het hele stuk hou ik het droog, en wanneer ik in de buurt van Gol, de grotere plaats in het dal, kom, ben ik eigenlijk alweer vergeten hoe ik me enkele uren geleden voelde.


In deze buurt zijn weinig hotels, in Gol al stoppen is te vroeg, na deze plaats zit niets meer en buiten slapen met dit onstuimige weer lijkt me geen goed plan. Nu is er op de top een DNT-cabin en besluit ik daar gebruik van te maken, mijn geheime wapen kan ik nu inzetten. Ik kijk op de tracker en zie dat Lucas de bergen in aan het gaan is en dat Gert Jan dichterbij is gekomen na mijn opwarmsessie bij het hotel. Ik vermoed ook dat zij de optie van de cabin niet gaan hebben en dat is een mooie opsteker.

Zeventig kilometer klimmen om terug van 300 meter naar 1100 te gaan, heel geleidelijk omhoog dus. In Hemsedal, het laatste dorp voor de grote leegte, doe ik boodschappen. Lefsa aanvullen, chocomel als hersteldrank voor het slapen gaan en nog wat andere ditjes en datjes die mijn mond in kunnen gaan. Na deze stop wordt het stiller en stiller en langzaam maar zeker valt ook de duisternis. Geen zonsondergang, want zon heb ik de hele dag niet gezien. Wel is er andere luxe, ik merk op dat ik voor het eerst vandaag over droog wegdek rijd. Er zijn geen lampen en het is pikkedonker. De weg heeft duidelijke strepen, dus het is volkomen duidelijk waar ik heen moet. Af en toe is er een beam van een vrachtwagen en wordt de weg opgelicht door een van de vele vrachtauto’s die deze pas over gaan. Ik ben blij dat ik hier niet overdag rijd, want dan is het waarschijnlijk vele malen drukker. Onveilig voel ik me niet, want de vrachtwagens nemen ruim voldoende afstand. Wel schrik ik als ik op een gegeven moment de glinstering van een oog zie. Er staat een hert, eland, ree of iets dergelijks op de weg. Het beest is nauwelijks zichtbaar. Ik signaleer naar de auto die achter me komt en ga bellen tot het beest wegrent en duidelijk van de weg is. Scherp blijven! Ik ga liedjes zingen en elke paar honderd meter maak ik kabaal met mijn bel.

Langzaam maar zeker kom ik boven. De hut ligt net over de top, maar wel in een veld. Met behulp van Google Maps en mijn gps-locatie moet ik op zoek. Ik moet van de grote weg af en moet mijn fiets over de vangrail tillen om daar een klein wandelpad op te gaan. Hoofdlamp aan en ik zie enkele honderden meters verder in het veld de hut. Ik kom aan en kennelijk heb ik met mijn fiets mensen gewekt. Er komt een meid naar buiten die me fluisterend vertelt dat ik bij haar en haar vriend op de kamer kan liggen en dat de andere kamers bezet zijn. Het stel is ook net in de hut aangekomen en nog wakker. Ze leggen me kort uit waar ik kan slapen en ik leg hun uit waar ik mee bezig ben en dat ik na een paar uur weer zal vertrekken. Ze zijn onder de indruk, ik krijg het beste bed, althans het bed met een stopcontact ernaast zodat ik spullen kan opladen. In de badkamer zijn geen handdoeken, dus douchen zit er niet in, maar ik gebruik deze ruimte wel om me uit te kleden. Met een kussen en mijn regenjas voor me sluip ik door de cabin. Het is donker, maar het is toch een beetje raar om naakt in een kamer te slapen waar ook nog vreemden liggen. Desalniettemin vind ik het belangrijker dat mijn kleding deze nacht wat kan opdrogen. Tijd om over de situatie na te denken heb ik niet, daar ben ik te moe voor. Ik zet een dubbele wekker en val in slaap.

Plaats een reactie