Via Race – Etappe 7

Dag 7 Skarvheim – Hafslo (Strava Link)

Ik sta vroeg op, sowieso is dit mijn ritme. Lange dagen en korte nachten, maar vandaag is het cruciaal om overdag in het dal te zijn om dan de ferry’s te halen. De eerste vanaf Gate 10, Urnes Stavkyrkje, gaat maar zeer beperkt en de tweede, het op-en-neertje naar Gate 7, Gaularfjeller, kent ook een beperking. Overdag in het dal zijn betekent dat alle ferry’s gaan en ook nog eens met een zekere regelmaat. Hiermee is veel tijd te winnen of te verliezen.

De wekker gaat, ik spring meteen uit mijn bed om deze uit te zetten, want ik wil de aardige hikers in mijn cabin niet wakker maken. In de badkamer fris ik me op, trek de nog klamme kleding aan en sluip de cabin uit. Na de race hoor ik van Phil dat hij mijn cabingenoten onderweg tegen is gekomen. Hij zat ergens te eten en het stel dat ik vannacht ontmoet heb, kwam op hem af om te vragen of hij ook aan de race meedeed. Het stel is kennelijk gaan dotwatchen en vertelde Phil onder de indruk te zijn van mijn routine om zo vroeg op te staan. Ze vonden dat ze zelf al laat in de cabin kwamen en vroeg opstonden, dus waren verbaasd dat er iemand nog later was en nog vroeger weer wegging.



Ik verlaat de cabin, hike een paar honderd meter door het veld, hijs mijn fiets terug over de vangrail en ga een lange afdaling in. Koud beginnen is niet lekker, maar hier was ik op voorbereid. Buff over mijn hoofd, handschoenen aan en alle kleding aan. Beneden aangekomen zie ik Lucas, die komt net vanaf Borgund Stavkyrkje (Gate 9). We stoppen even, Lucas vraagt me of het koud was boven op de berg, niet wetende dat ik in een cabin lag. Hij bleek in een openbaar toilet te hebben geslapen. Wanneer we elk onze weg vervolgen, kijk ik op de tracker. Van Lucas weet ik nu dat ik dichterbij gekomen ben, en ik zie dat ik ten opzichte van Gert Jan ook winst heb geboekt. Bijna een hele klim voorsprong, wat toch een paar uur is. Gezien het feit dat ik nog op en neer moet naar Gate 9, probeer ik dit te timen zodat ik een beeld heb van de voorsprong van Lucas. Bij de gate, een prachtige staafkerk, maak ik snel een foto en ga ik door. Een staafkerk is een middeleeuwse houten christelijke kerk, gekenmerkt door dragende dennenhouten palen, zogenaamde staven. Leuk weetje, maar terwijl ik met de race bezig ben, neem ik niet de tijd om hierover na te denken. Dit zoek ik pas nu op, bij het schrijven van deze recap. Terug bij het punt waar ik Lucas tegenkom, check ik de tijd en ik heb daarmee een indicatie van mijn achterstand. Het is nog een paar dagen rijden, maar het feit dat het verschil overbrugbaar lijkt, geeft me moed en in plaats van plek vier te verdedigen, waar ik op voorhand voor zou hebben getekend, krijg ik meer en meer vertrouwen om te gaan strijden voor plek drie.

Bij vooruitkijken hoort ook vooral vooruitgang maken. Na Borgund komen er nog twee klimmen alvorens ik naar het dal ga waar de ferry’s zich bevinden. Het is droog maar grijs, de eerste klim is niet al te moeilijk en ik kan genieten van de vergezichten. Op de toppen om me heen liggen gletsjers. Er is nog geen kip op de weg en dus kan ik wat filmpjes maken terwijl ik voortga. Prachtig, deze momenten heb ik door de vele regen nog niet veel gehad.

Dan volgt een technische afdaling met tunnels naar Øvre Årdal. Ik doe voorzichtig en zie het havenstadje aan de fjord langzaam groter en groter worden. De perfecte plek om boodschappen te doen. Bij de Kiwi vul ik mijn musette met lefsa, ik zie op de tracker dat Lucas en Bruno ook in dit dorp zijn, wat me triggert om niet te veel tijd te nemen in deze supermarkt. De snacks die ik beoogd had direct op te eten, prop ik op de fiets in mijn mond, want na dit stadje volgt een steile klim het dal uit. Dubbele percentages voor kilometers lang. Volgens de tracker ben ik dichterbij Lucas gekomen en ik ben benieuwd of ik hem kan zien wanneer ik een rits aan haarspeldbochten voor me zie. Ik zie niemand, maar door het vooruitkijken ben ik niet bezig met hoe steil deze klim is en voor mijn gevoel ben ik binnen no time boven. In werkelijkheid ben ik bijna anderhalf uur bezig met deze klim, die een soort van dubbele top heeft.

Ondertussen zijn de toeristen in Noorwegen ook wakker geworden, want op de weg wordt het drukker en drukker. Campers, die waarschijnlijk op een mooi plekje in de bergen hebben gestaan vannacht, rijden af en aan en het aantal Nederlandse kentekens is opvallend hoog. Op de top is het gaan miezeren en ik word weer nat. Om positief te blijven, zie ik het maar als een wolk die op de top hangt en hou me voor dat wanneer ik afdaal, het droog wordt. Deze theorie klopt, want wanneer ik hoogte verlies, is het inderdaad weer droog.

Op naar het dal en op naar Gate 10. Dat ik deze cruciale ferry ga halen, is duidelijk, maar een tijdschema heeft deze ferry niet. Een blik op de tracker leert wel dat ik dichterbij Lucas ben gekomen en om die reden geef ik nog maar wat extra gas. Het zal me toch niet overkomen dat ik dichter en dichter bij hem kom en dat ik dan net de ferry mis. De route langs het water is relatief vlak, her en der een heuveltje, maar dat mag geen naam hebben. In Ornes aangekomen kan ik niet inschatten waar de ferry is, dus ik wil zo snel mogelijk de klim naar de kerk doen en de gate aantikken. Helaas moet ik zigzaggend om toeristen heen en door de drukte ook een paar keer voet aan de grond zetten. De kerk bewonderen doe ik niet, snel een selfie als bewijs en zigzaggend terug naar beneden. Daar aangekomen gebeurt waar ik voor vreesde. De veerpont vertrekt nét voor me. Lucas zwaait, ik maak er een filmpje van en weet dat ik meer dan veertig minuten moet wachten.

Het enige voordeel van veertig minuten wachten is dat ik een dutje kan doen. Zon heb ik in dit deel van Noorwegen nog weinig gezien, maar precies op dit moment komt zij door. Voor het geval dat vraag ik een persoon die ook op de pont staat te wachten me wakker te maken, ik leg mijn kleding zo neer dat deze kan drogen en doe een dutje. Na een half uur word ik wakker van pratende mensen. Het zijn Nederlanders en ik knoop een praatje aan. Na uren op mezelf vind ik het wel lekker om een gesprek te voeren. We zitten op dezelfde pont en kletsen over de race en bezienswaardigheden van Noorwegen.

Zodra de pont aan de overkant is, ben ik er vandoor en zet ik de achtervolging op Lucas in, op naar Gaularfjeller. Na de pont moet ik een kleine klim over richting Sogndalsfjøra. Hier kom ik Juhani tegen, die een totaal andere route heeft. Aan de andere kant van de klim volg ik de weg langs een andere fjord naar de volgende ferry. De route is vlak, de enige hindernis zijn de stortbuien. Bij tijd en wijle komt het met bakken uit de lucht. Mijn droge kleren zijn weer zompig en klam. De buien zijn kort maar hevig. Wanneer ik bij de volgende ferry aankom, sta ik te rillen. Bij deze heb ik wel geluk; na een paar minuten wachten kan ik de boot op en binnen probeer ik op te warmen met een kopje koffie. Ik werp een blik op het tijdschema van de pont en zie dat ik ook nog makkelijk weer terug moet kunnen en kan dus nadenken waar ik ga slapen vannacht. Ik besluit pas op de terugweg van deze ferry te bepalen wat ik precies ga doen. Sogndal heeft in elk geval voldoende opties, maar liever maak ik nog wat meer kilometers vandaag.

Wanneer ik de pont afkom, regent het weer, de vaartijd van een kleine 20 minuten was te kort om me op te warmen, dus koud rijd ik richting de volgende gate. Ik weet dat er een klim aan zit te komen en dat is meestal wel goed tegen het bibberen. Helaas is het nog een goede twintig kilometer naar de voet, ik kijk naar de wolken en zie wel dat ik regen-technisch de goede kant op ga. Verstand op nul en trappen maar. De klim begint en ik word weer warm. Tegelijk stopt het met regenen. Het is rustig hier, er komen haarspelden en wanneer ik de kaart op mijn fietscomputer uitzoom, zie ik de bestemming. Halverwege de klim komt Lucas omlaag, hij roept iets onverstaanbaars over de ferry en ik ploeter voort. Op de top zie ik een uitzichtpunt, het zal ongetwijfeld mooi zijn, maar ik maak snel een selfie en neem niet de tijd om van het uitzicht te genieten. Liever rep ik me naar de ferry, al heb ik geen idee of ik deze wel of niet kan halen.

In het dal gekomen wil ik de ferrytijden opzoeken, maar mijn telefoon is te nat, bovendien komen er vanuit mijn helm druppels op het scherm. Te moeilijk om dit te doen. Blijven rijden is het devies, en dan zie ik bij de pont wel hoe en wat. Ondertussen zie ik Gert Jan voorbijrijden. Dit bewijst dat ik dichter op Lucas zit dan Gert Jan bij mij. Dichter bij de pont denk ik dat deze net is aangemeerd, ik geef nog wat extra gas, maar het blijkt dat ik een race inzet naar een pont die slechts voor anker ligt en uit de vaart is. Ik moet uiteindelijk meer dan een half uur wachten, maar gelukkig is er een verwarmde wachtruimte. Hier kan ik mijn apparatuur opladen en een plan maken voor de nacht.

Het liefst rijd ik door tot de voet van de klim die ik morgen moet gaan doen in Skjolden, maar in dat dorp is geen accommodatie te vinden. Wel in Sogndalsfjøra, maar dat vind ik dan weer te dichtbij. Door het wachten op de veerboten heb ik nog geen 300 km op de teller vandaag, wat ik echt te weinig vind. Uiteindelijk vind ik een kamer in Hafslo met een vierentwintig-uursreceptie. De beste optie om droog te slapen, dus ik ga ervoor. Ondertussen is de ferry aangekomen.

Het enige wat nog ontbreekt, is een resupply. In Hermansverk is een supermarkt, maar ik had al gezien dat deze maar tot tien uur open is en dat die niet meer haalbaar is. De hoop is dat er in Sogndalsfjøra wel nog wat open is. Wanneer ik in deze plaats aankom, zie ik een tankstation dat nog open is. De keuze is hier niet reuze, dus ik bestel een portie friet en koop wat spullen voor de dag van morgen. Dit gaat geen hoogstaand ontbijt worden, maar ik heb in elk geval genoeg eten om morgen de eerste col over te kunnen. Terwijl ik op mijn frietjes wacht, knoopt de tankstation medewerker een gesprek met me aan. Hij vraagt wat ik aan het doen ben en ik laat hem de tracker zien. Hij is zo onder de indruk dat hij me een paar bananen meegeeft. Ik zeg dat ik dit niet mag aannemen, maar hij staat erop. Het is het eind van de dag en hij moet ze toch weggooien. Ik heb hem een kleine fooi gegeven en zeg dat ik er op die manier toch voor heb betaald. Ik zie het maar als trail magic. Ook gaat hij me volgen, dit blijkt hij inderdaad te doen, want wanneer ik finish, krijg ik een comment van hem op mijn Instagram dat ik altijd welkom ben in dit tankstation voor meer bananen. Wanneer ik na mijn frietje wegrijd, zie ik dat de medewerker met andere klanten aan het praten is en enthousiast naar me wijst. Dit moet zijn om te vertellen wat ik aan het doen ben. Ik hou van dit soort kleine ontmoetingen.


Ondertussen rijd ik het stadje uit, terug het klimmetje over dat naar de ferry bij Gate 10 leidt, richting mijn hotel. De ferry hoef ik niet te nemen, ik kan nu aan deze kant van de fjord blijven. Na de klim komt er een kleine afdaling richting Hafslo, en twee kilometer van de route vind ik mijn hotel. De nachtportier van het hotel helpt me binnen. Hij knippert of bloost niet wanneer ik met mijn oh zo smerige fiets naar mijn hotelkamer ga. Daar aangekomen is het kleding uithangen, héél kort douchen en plat.

Plaats een reactie